ECLI:NL:PHR:2005:AT8969
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat winstbijschrijving bij pensioenverzekering meetelt voor financiering pensioenrechten
De zaak betreft een geschil tussen eiser en verweerster over de financiering van pensioenrechten na beëindiging van de dienstbetrekking. Eiser vordert betaling van een bedrag dat nodig zou zijn om het tijdsevenredige ouderdomspensioen te financieren, waarbij hij stelt dat de winstbijschrijving niet mag worden meegeteld bij de premievrije waarde van de pensioenverzekering.
De arbeidsovereenkomst en pensioenbrief van 1990 bevatten een pensioentoezegging op basis van een eindloonregeling, waarbij de pensioenverzekering (een zogenaamde C-polis) winstuitkering kent. Verweerster stelt dat de winstbijschrijving wel moet worden meegerekend, zodat er geen aanvullende financiering nodig is.
De rechtbank wees de vordering van eiser toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat verweerster gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de afspraak tussen eiser en de verzekeraar dat de winstbijschrijving onderdeel is van de premievrije waarde. Hierdoor is verweerster niet tekortgeschoten in haar verplichtingen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep van eiser af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de winstbijschrijving moet worden betrokken bij de waarde van de pensioenrechten en dat verweerster op grond van art. 3:36 BW Pro gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de overeenkomst tussen eiser en de verzekeraar. De vordering tot aanvullende financiering wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de winstbijschrijving moet worden meegerekend bij de premievrije waarde, waardoor verweerster niet tekortschiet in haar financieringsverplichting.