ECLI:NL:PHR:2005:AT9061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen van verrekening bij verpande vorderingen in faillissement
In deze zaak staat centraal de vraag of een debiteur van een verpande vordering zich kan verweren met een beroep op verrekening met een tegenvordering jegens de failliet verklaarde pandgever, zonder dat de pandhouder een beroep kan doen op art. 6:136 BW Pro BW. De zaak betreft een conflict tussen een bank als pandhouder en een debiteur over betaling van vorderingen die verpand zijn door een failliete onderneming.
De rechtbank wees de vordering van de bank aanvankelijk af, maar het hof vernietigde dit en kende de vordering grotendeels toe. Het hof overwoog dat het beroep op verrekening niet eenvoudig vast te stellen was en paste art. 6:136 BW Pro toe om de vordering toe te wijzen. De Hoge Raad stelt echter dat art. 53 lid 3 Faillissementswet Pro expliciet bepaalt dat art. 6:136 BW Pro niet van toepassing is in faillissementssituaties, ook voor pandhouders van vorderingen op naam.
De Hoge Raad verduidelijkt dat deze beperking geldt om de positie van de faillissementsboedel te beschermen, waarbij schuldeisers hun schuld als onderpand mogen beschouwen. Dit betekent dat de debiteur van een verpande vordering geen tegenvordering kan inbrengen tegen de pandhouder met beroep op art. 6:136 BW Pro. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Art. 53 lid 3 Faillissementswet sluit toepassing van art. 6:136 BW uit voor pandhouders, waardoor verrekening door debiteur niet mogelijk is.