ECLI:NL:PHR:2005:AU0374
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorlopige machtiging op grond van Wet Bopz bij dementie en gevaar voor maatschappelijke teloorgang
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een voorlopige machtiging verleende voor opname van verzoekster in een verpleeginrichting op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).
De rechtbank had vastgesteld dat verzoekster, lijdend aan dementie, gevaar voor zichzelf veroorzaakte door het afhouden van hulp en verzorging, onvoldoende zelfzorg en toenemende vervuiling. Ook was sprake van een belastende situatie met haar zoon, die haar mantelzorger is, waarbij sprake was van verbale en fysieke agressie.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de motivering van het gevaar en de noodzaak van de gedwongen opname. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank voldoende inzicht had gegeven in haar motivering en dat het gevaar voor maatschappelijke teloorgang zelfstandig de voorlopige machtiging rechtvaardigde.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de gedwongen opname gerechtvaardigd was gezien de stoornis en het gevaar voor verzoekster zelf, zonder dat het nodig was te toetsen of het gevaar op andere wijze kon worden afgewend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot gedwongen opname blijft in stand.