ECLI:NL:PHR:2005:AU1675
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging tenlastelegging en responsieplicht in strafzaak oplichting identiteitskaart
In deze strafzaak stond de wijziging van de tenlastelegging centraal, waarbij verdachte aanvankelijk werd verdacht van het doen van een valse opgave in een authentieke akte (art. 227 Sr Pro) en later werd vervolgd voor oplichting (art. 326 Sr Pro). Verdachte voerde aan dat deze wijziging onrechtmatig was omdat het een nieuw feit betrof en dat hij hierdoor in zijn verdediging was geschaad.
De Hoge Raad bevestigde dat de wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar was omdat de gedragingen hetzelfde feit vormden in de zin van art. 313 Sv Pro in verbinding met art. 68 Sr Pro. De strekking van de delictsomschrijvingen liep niet wezenlijk uiteen, mede omdat oplichting ook kan geschieden door gebruikmaking van valsheid in een authentieke akte.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet verplicht was te reageren op een pleitnotitie die niet uitdrukkelijk door of namens verdachte ter terechtzitting was voorgedragen. Dit vereiste van uitdrukkelijke voordracht dient de helderheid van de procesvoering en waarborgt dat het Openbaar Ministerie zich kan uitlaten over verweren.
Ten aanzien van het bewijs stelde de Hoge Raad vast dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels, waaronder een valse aangifte van vermissing en een onware verklaring betreffende vermissing, de gemeente Cuijk heeft bewogen tot de afgifte van een nieuwe identiteitskaart. De veroordeling tot een taakstraf werd bevestigd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de procedure als geheel eerlijk was verlopen, ondanks het late tijdstip van de wijziging van de tenlastelegging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens oplichting en wijst het cassatieberoep af.