ECLI:NL:PHR:2005:AU1993
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling denaturering verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep
In deze zaak stond de vraag centraal welke weergave van een verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep beslissend is bij discrepanties tussen het proces-verbaal en de uitspraak. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweldpleging. Het hof gebruikte een gedeelte van de verklaring van de verdachte, waarin hij toegaf een fles Wodka te hebben gepakt, maar liet een passage weg waarin de verdachte verklaarde dat hij die fles pas pakte nadat hij van diefstal was beschuldigd en deze wilde kopen.
De advocaat-generaal stelde dat dit selectieve gebruik van de verklaring tot denaturering leidde, omdat het overblijvende gedeelte een andere betekenis kreeg dan oorspronkelijk bedoeld. De Hoge Raad besprak uitgebreid de discrepantieregel, die stelt dat de inhoud van ter terechtzitting afgelegde verklaringen in de uitspraak beslissend is, en concludeerde dat deze regel onvoldoende houdbaar is. De Hoge Raad gaf aan dat het proces-verbaal van de terechtzitting als enige kenbron moet gelden voor wat aldaar is voorgevallen, zowel voor verweren als verklaringen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaring van de verdachte selectief had gebruikt en daarmee de essentie van de verklaring had veranderd, wat een vorm van denaturering is. Desondanks werd het middel verworpen omdat de gedenatureerde passage geen wezenlijk onderdeel van de bewijsconstructie vormde en andere bewijsmiddelen bevestigden dat de verdachte of een mededader een fles uit het schap had gepakt. Het ontbreken van een toelichting op het beperkte gebruik van de verklaring maakte het gebruik onbegrijpelijk, maar dit motiveringsgebrek stond niet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering in de weg.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks gegrondverklaring van de klacht over denaturering van de verklaring.