ECLI:NL:PHR:2005:AU2020
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn bij hoger beroep in verkeerszaak
De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Tegen het vonnis werd hoger beroep ingesteld op 18 april 2003. De stukken van het geding kwamen pas bijna tien maanden later, op 11 februari 2004, bij het hof binnen. De zaak werd vervolgens bij verstek behandeld en terstond beslist.
De Hoge Raad stelt dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden, zeker wanneer de dagvaarding niet persoonlijk aan de verdachte is betekend en de zaak bij verstek wordt behandeld. In deze zaak heeft het hof nagelaten dit onderzoek te doen en te motiveren waarom de overschrijding van de termijn niet tot schending leidt.
De Hoge Raad acht het oordeel van het hof onbegrijpelijk en wijst op de jurisprudentie dat een termijn van meer dan acht maanden tussen het instellen van het beroep en het binnenkomen van de stukken doorgaans leidt tot overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel het hof mogelijk compensatie zag in de voortvarende behandeling, had dit gemotiveerd moeten worden.
De Hoge Raad verklaart het middel gegrond, vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de opgelegde straf ambtshalve. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging en vermindert de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.