ECLI:NL:PHR:2005:AU2020

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03234/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn bij hoger beroep in verkeerszaak

De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Tegen het vonnis werd hoger beroep ingesteld op 18 april 2003. De stukken van het geding kwamen pas bijna tien maanden later, op 11 februari 2004, bij het hof binnen. De zaak werd vervolgens bij verstek behandeld en terstond beslist.

De Hoge Raad stelt dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden, zeker wanneer de dagvaarding niet persoonlijk aan de verdachte is betekend en de zaak bij verstek wordt behandeld. In deze zaak heeft het hof nagelaten dit onderzoek te doen en te motiveren waarom de overschrijding van de termijn niet tot schending leidt.

De Hoge Raad acht het oordeel van het hof onbegrijpelijk en wijst op de jurisprudentie dat een termijn van meer dan acht maanden tussen het instellen van het beroep en het binnenkomen van de stukken doorgaans leidt tot overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel het hof mogelijk compensatie zag in de voortvarende behandeling, had dit gemotiveerd moeten worden.

De Hoge Raad verklaart het middel gegrond, vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de opgelegde straf ambtshalve. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging en vermindert de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 03234/04
Mr. Knigge
Zitting: 30 augustus 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van €500,=, subsidiair tien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte hebben mr. J.J.A.P. van Breukelen en mr. A.M. Seebregts, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
4. Op 18 april 2003 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding op 11 februari 2004 binnengekomen bij het Hof. De dagvaarding in hoger beroep is niet aan de verdachte in persoon betekend. Op 27 augustus 2004 is de zaak bij verstek door het Hof behandeld, waarna terstond uitspraak is gedaan. Het Hof heeft in zijn arrest niets overwogen omtrent het tijdsverloop in hoger beroep.
5. Vooropgesteld dient te worden dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De rechter dient in zijn uitspraak te doen blijken van dat onderzoek in het geval van een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend en waarbij het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov 3.8). Voor wat betreft de berechting in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelingsduur rechtvaardigen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.16). Daarnaast geldt dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep bij de griffie van de appèlrechter zijn binnengekomen (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.17).
6. In casu zijn de stukken van het geding bijna tien maanden na het instellen van het hoger beroep bij het Hof binnengekomen. Het impliciete oordeel van het Hof dat de redelijke termijn niet is overschreden, is daarom onbegrijpelijk. Het kan zijn dat het Hof heeft geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval, nu het Hof binnen zeventien maanden na het instellen van het beroep uitspraak deed, werd gecompenseerd door de bijzonder voortvarende behandeling van het beroep, zodat aan de overschrijding geen rechtsgevolgen behoefden te worden verbonden (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.18). Dat neemt echter niet weg dat sprake is van een geval waarin het Hof er blijk van had moeten geven te hebben onderzocht of afbreuk is gedaan aan het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn. Indien het Hof bij dat onderzoek tot de conclusie was gekomen dat van compensatie in vorenbedoelde zin sprake was, had het dat oordeel moeten motiveren. Dat gemotiveerde oordeel had dan op begrijpelijkheid getoetst kunnen worden. Of dat veel verschil zou hebben gemaakt lijkt mij overigens zeer de vraag. Waarschijnlijk zou het oordeel van het Hof ook dan de begrijpelijkheidstoets niet hebben kunnen doorstaan. (1)
7. Het middel is gegrond. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen zelf de opgelegde straf verminderen.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging en tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 12 april 2005, LJN AS2771. Van die zaak verschilt de onderhavige op relevante punten.