ECLI:NL:PHR:2005:AU2397
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arrest Hoge Raad over uitleg en opheffing van erfdienstbaarheden bij burengeschil over gang en uitbouw
In deze zaak staat een burengeschil centraal over erfdienstbaarheden die in 1850 zijn gevestigd met betrekking tot een gang tussen twee naast elkaar gelegen percelen. WE Vastgoed en [verweerder] c.s. zijn eigenaren van deze percelen. WE Vastgoed heeft haar pand tot aan de erfgrens uitgebouwd en een etalage in de zijmuur gerealiseerd, die later door uitbouw van het pand van [verweerder] c.s. aan het zicht werd onttrokken.
WE Vastgoed vorderde afbraak van de uitbouw van [verweerder] c.s. op grond van de erfdienstbaarheid die volgens haar ook het recht omvatte op ramen in de tot aan de erfgrens verplaatste muur. Het hof oordeelde dat de erfdienstbaarheid beperkt is tot een muur op dezelfde plaats als de oude muur en dat de verplaatste muur niet onder de erfdienstbaarheid valt. Tevens concludeerde het hof dat de wederzijdse erfdienstbaarheden van de gang in 1985 door de uitbouw zijn komen te vervallen en dat WE Vastgoed geen verkrijgende verjaring heeft verworven wegens het ontbreken van goede trouw.
De Hoge Raad bevestigt de uitleg van het hof dat de akte van 1850 de erfdienstbaarheid beperkt tot de oorspronkelijke muurplaats en dat de uitbouw de erfdienstbaarheid van de gang heeft opgeheven. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat WE Vastgoed niet te goeder trouw was en daardoor geen verjaring heeft behaald. Rechtsverwerking door [verweerder] c.s. wordt eveneens bevestigd, waardoor zij het recht om uitbouw te verbieden hebben verwerkt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van WE Vastgoed en bevestigt het arrest van het hof, waarmee de vorderingen van WE Vastgoed worden afgewezen en de opheffing van de erfdienstbaarheid wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van WE Vastgoed wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.