ECLI:NL:PHR:2005:AU2407
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vergoeding bedrijfsverplaatsing bij onteigening
Eiseres exploiteerde een bedrijf op een unie-locatie bestaande uit meerdere gehuurde bedrijfsruimten aan de A-straat te Schiphol. Door een onteigeningsbesluit van de Staat werd een gedeelte van deze bedrijfsruimte onteigend, waarop eiseres haar huur beëindigde. In augustus 2000 verhuisde zij haar gehele bedrijf naar nieuwbouw aan de B-straat, speciaal voor haar gebouwd.
De kern van het geschil was of de Staat de kosten van deze volledige bedrijfsverplaatsing moest vergoeden als onteigeningsgevolg. De deskundigen en rechtbank oordeelden dat alleen de kosten van het vervangen van het onteigende gedeelte door vergelijkbare ruimte elders vergoed moesten worden, niet de integrale bedrijfsverplaatsing.
Eiseres stelde dat de volledige verplaatsing noodzakelijk was door de onteigening, maar de deskundigen concludeerden dat dit niet het geval was en dat een redelijk handelend ondernemer slechts het onteigende deel zou vervangen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eiseres en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de schadeloosstelling beperkt blijft tot de kosten van vervangende bedrijfsruimte vergelijkbaar met het onteigende.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter zijn beslissing moet motiveren, maar geen verzwaarde motiveringsplicht heeft indien hij afwijkt van partijen. De conclusie van het hof was dat de Staat slechts de kosten van het vervangen van het onteigende gedeelte hoeft te vergoeden, niet de volledige bedrijfsverplaatsing.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat alleen de kosten van vervangende bedrijfsruimte vergelijkbaar met het onteigende vergoed moeten worden, niet de volledige bedrijfsverplaatsing.