ECLI:NL:PHR:2005:AU2705

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03458/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408a SvArt. 450 lid 2 SvArt. 51 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over rechtsbijstand en verstekveroordeling bij wijziging zittingsdatum in hoger beroep

In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld bij verstek wegens openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen. Verdachte stelde cassatie in met het middel dat hij ten onrechte bij verstek was veroordeeld omdat zijn raadsman niet op de hoogte was gesteld van de gewijzigde zittingsdatum in hoger beroep.

De Hoge Raad verduidelijkt dat het enkele feit dat een advocaat een rechtsmiddel instelt namens verdachte niet betekent dat deze advocaat ook als raadsman bij de verdere behandeling optreedt. Bij wijziging van de zittingsdatum in hoger beroep moet het hof onderzoeken of verdachte zich van rechtsbijstand wilde voorzien voordat de zaak zonder raadsman wordt afgedaan.

In deze zaak was aan de raadsman een dagvaarding voor de oorspronkelijke zittingsdatum uitgereikt, maar niet voor de nieuwe datum. De Hoge Raad oordeelt dat de raadsman daaraan niet de verwachting mag ontlenen dat hij over wijzigingen wordt geïnformeerd. Het middel faalt daarom en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verstekveroordeling blijft in stand.

Conclusie

Nr. 03458/04
Mr. Vellinga
Zitting: 13 september 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, een taakstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1222,72 met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige. Voor genoemd bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel strekt ten betoge dat de verdachte ten onrechte bij verstek is veroordeeld, immers zonder dat zijn raadsman op de hoogte is gesteld van de juiste zittingsdatum in hoger beroep.
4. Namens verdachte is door verdachtes raadsman op 7 januari 2004 hoger beroep ingesteld van een tegen verdachte bij verstek gewezen veroordelend vonnis van de politierechter van de Rechtbank te Haarlem van 1 oktober 2003. Bij gelegenheid van het instellen van hoger beroep is - kennelijk op grond van het bepaalde in art. 450 lid 2 Sv Pro, zij het dat niet overeenkomstig die bepaling een afschrift van de dagvaarding aan de verdachte is gezonden - aan verdachtes raadsman een dagvaarding in hoger beroep uitgereikt voor de zitting van 1 september 2004.
5. Op 28 april 2004 is aan verdachtes huisgenoot een dagvaarding in hoger beroep uitgereikt voor de zitting van 9 juni 2004 onder intrekking van de dagvaarding te verschijnen ter zitting van 1 september 2004. Op 19 mei 2004 is aan de griffier eveneens een dagvaarding van verdachte in hoger beroep voor de zitting van 9 juni 2004 uitgereikt, eveneens onder intrekking van de dagvaarding te verschijnen ter zitting van 1 september 2004. Geen van beide dagvaardingen bevat de vermelding dat een afschrift daarvan is verstrekt aan verdachtes raadsman.
6. Ter terechtzitting van het Hof van 9 juni 2004 verschijnt noch verdachte, noch diens raadsman. Vervolgens wordt verdachte veroordeeld als hiervoor vermeld.
7. Bij brief van 15 juli 2004 schrijft verdachtes raadsman aan de Advocaat-Generaal bij het Hof dat hij heeft gehoord dat zijn cliënt, verdachte, is veroordeeld bij arrest van het Hof van 23 juni 2004 doch dat hij nimmer een oproeping of een kopie van de appeldagvaarding heeft gehad. Op die brief antwoordt de Advocaat-Generaal dat aan de verdachte vanwege herstel van een administratieve vergissing een nieuwe dagvaarding tegen een andere terechtzitting is uitgereikt, dat haars inziens door de griffie van het Hof is verzuimd een afschrift van de nieuwe dagvaarding aan verdachtes raadsman te zenden en dat gezien die omstandigheid het arrest van het Hof zou dienen te worden vernietigd opdat de zaak alsnog in tegenwoordigheid van verdachtes raadsman kan worden behandeld.
8. De brief van verdachtes raadsman aan de Advocaat-Generaal houdt onder meer in:
"Van cliënt vernam ik dat hij bij arrest van 2 juni 2004 opnieuw bij verstek zou zijn veroordeeld. Dit kan niet juist zijn. Ik heb nimmer van Uw Hof een oproep gehad of kopie van de appel-dagvaarding. Ik verzoek U derhalve de zaak voor te dragen voor vernietiging en cliënt de gelegenheid te geven zich ter zitting te verweren, bij gebreke waarvan de beginselen van een goede strafprocesorde worden geschonden."
9. Uit deze brief blijkt dat door het aan verdachtes raadsman uitgereikte afschrift van de dagvaarding in hoger beroep bij deze de verwachting is gewekt dat de zaak van zijn cliënt in hoger beroep zou worden behandeld op de in die dagvaarding vermelde datum, 1 september 2004. Minder helder is de brief over de vraag of verdachtes raadsman voornemens was zijn cliënt ter zitting bij te staan. Verdachtes raadsman klaagt weliswaar dat hem geen oproeping of kopiedagvaarding is gezonden maar vraagt tegelijk zijn cliënt de gelegenheid te geven zich te verweren zonder daarbij op bijstand zijnerzijds te wijzen.
10. Is de tweede volzin van art. 51 Sv Pro niet nageleefd, dan treft dit in beginsel de behandeling van een strafzaak buiten tegenwoordigheid van de verdachte en zijn raadsman met nietigheid. (HR 23 juni 1998, NJ 1998, 772, rov. 4.7). Wanneer er reden bestaat tot twijfel omtrent het nageleefd zijn van het voorschrift van art. 51 Sv Pro, dan brengt een goede procesorde mee dat de rechter, alvorens nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, zich ervan vergewist, dat ofwel voormeld voorschrift is nageleefd, ofwel één der uitzonderingsgevallen zich voordoet, te weten dat de verdachte er geen prijs op heeft gesteld, hetzij ter terechtzitting te verschijnen en aldaar door zijn raadsman te worden bijgestaan, hetzij in zijn afwezigheid zijn raadsman het woord ter verdediging te laten voeren (HR 21 april 1998, NJ 1998, 696, rov. 4.6).
11. Verdachtes raadsman heeft zich in hoger beroep niet gesteld terwijl uit de enkele omstandigheid dat namens een verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld niet kan worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daaropvolgende behandeling als raadsman zal bijstaan (HR 19 december 2000, NJ 2001, 161, rov. 3.3), ook niet wanneer de raadsman - anders dan in het onderhavige geval - ter terechtzitting in eerste aanleg optrad (vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001, 161, rov. 3.2.1) of aan de raadsman bij het instellen van het appel een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt (HR 18 september 2001, LJN: ZD2781). Van niet-nakoming van het bepaalde in de tweede volzin van art. 51 Sv Pro is dus geen sprake.
12. In het onderhavige geval is aan verdachtes raadsman, toen deze als daartoe door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde hoger beroep instelde, overeenkomstig art 450 lid 2 Sv Pro een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt. In aanmerking genomen dat art. 450 lid 2 Sv Pro voorschrijft dat een afschrift van de dagvaarding bij gewone brief aan de verdachte wordt gezonden, gaat de wet er kennelijk vanuit dat het aan de raadsman verstrekte afschrift inderdaad voor de raadsman bestemd is.(1) Dat betekent dat verdachtes raadsman daaraan de verwachting mag ontlenen dat zijn cliënt in hoger beroep terecht moet staan op plaats, datum en tijd als in die dagvaarding vermeld. In de wettelijke regeling van uitreiking van de dagvaarding bij het instellen van appel aan verdachtes raadsman ligt immers besloten dat deze zijn cliënt van de terechtzitting in hoger beroep op de hoogte kan stellen dan wel dat hij zijn cliënt, wanneer deze zich tot hem wendt met de vraag wanneer hij terecht moet staan, overeenkomstig de dagvaarding informeert.(2) De laatste krijgt immers zelf slechts een afschrift van de dagvaardig bij gewone brief.
13. Brengt het voorgaande nu mee dat aan de raadsman aan wie de appeldagvaarding is uitgereikt en die zich in hoger beroep niet heeft gesteld toch een afschrift moet worden verstrekt van een nadere dagvaarding tegen een andere terechtzitting, met name wanneer deze wordt gehouden op een eerdere dag dan in de oorspronkelijke appeldagvaarding was vermeld ? Mijns inziens is dat niet het geval. Aan uitreiking van de appeldagvaarding aan verdachtes raadsman mag deze niet de verwachting ontlenen dat hij op de hoogte wordt gesteld van wijziging in dag en/of tijd van de terechtzitting in hoger beroep. Door namens de verdachte hoger beroep in te stellen heeft hij zich immers nog niet opgeworpen als degene die verdachtes belangen tijdens het geding in hoger beroep wil behartigen. Dat is niet anders wanneer hij - zoals kennelijk in het onderhavige geval - in eerste aanleg niet voor verdachte is opgetreden.
14. Kennelijk heeft verdachtes raadsman zich in de onderhavige zaak overrompeld gevoeld door de berechting van zijn cliënt enkele maanden eerder dan op de aan hem uitgereikte appeldagvaarding stond vermeld. Bedacht dient echter te worden dat verdachtes raadsman aan het aan hem uitreiken van de appeldagvaarding niet de verwachting kon ontlenen dat in die datum geen wijziging zou kunnen komen en dus aan de verdachte niet een nieuwe appeldagvaarding zou worden uitgereikt waarbij de verdachte onder intrekking van de oorspronkelijke appeldagvaarding een nieuwe dag en tijd van de terechtzitting zou worden medegedeeld.
15. Het middel faalt.
16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De wetgever zag de verplichting tot het in ontvangst nemen van een afschrift van de dagvaarding onlosmakelijk verbonden aan het instellen van een rechtsmiddel door een daartoe gemachtigd raadsman: Kamerstukken II 1995-1996, 24 510, nr. 5, p. 7, 8. De wetgever creëerde zelfs de fictie dat ook indien de gemachtigd raadsman weigert een afschrift van de dagvaarding in ontvangst te nemen, deze toch geacht wordt uitgereikt te zijn. Aldus wordt voorkomen - Kamerstukken I 1996-1997, 24 510, nr. 50b, p.1, 2 - dat verdachte zich erop kan beroepen onkundig van het tijdstip van berechting te zijn geweest.
2 Van dat laatste ging de wetgever kennelijk uit: Kamerstukken II 1995-1996, 24 510, nr. 3, p. 5, 6.