ECLI:NL:PHR:2005:AU2808

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/208HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 6:162 lid 2 BWArt. 81 ROArt. 164 lid 2 RvArt. 152 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid en bewijswaardering bij vernietiging koopovereenkomst wegens bedreiging

In deze zaak heeft eiser twee schadeauto's gekocht van verweerder en een nadere overeenkomst gesloten voor verdere betaling en levering. Eiser stelde dat deze nadere overeenkomst onder bedreiging was aangegaan en vorderde terugbetaling van de aanbetaling. De kantonrechter wees de vordering af zonder inhoudelijke beoordeling van bedreiging. Het hof stond eiser toe bewijs te leveren van bedreiging, maar oordeelde na getuigenverhoren en contra-enquête dat dit bewijs niet was geleverd en wees de vordering af.

Eiser kwam tegen dit arrest in cassatie. Hij betoogde onder meer dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan het begrip bedreiging in art. 3:44 lid 2 BW Pro, dat het hof voorbijging aan zijn beroep op vernietiging via een buitengerechtelijke verklaring, en dat het hof ten onrechte de verklaring van een partijgetuige (de vader van verweerder) zwaar liet wegen.

De Hoge Raad verwierp deze middelen. Het hof had de wettelijke definitie van bedreiging correct toegepast en was niet toegekomen aan de beoordeling van onrechtmatigheid omdat het bewijs van bedreiging ontbrak. Het beroep op de buitengerechtelijke verklaring was onvoldoende gemotiveerd en het hof had het bewijs naar behoren gewaardeerd, waarbij de verklaring van de partijgetuige niet onjuist was meegewogen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd waarin de vordering tot terugbetaling van de aanbetaling wegens onvoldoende bewijs van bedreiging is afgewezen.

Conclusie

Rolnr. C04/208HR
Zitting 3 juni 2005
mr. L. Timmerman
Conclusie in
[eiser]
tegen
[verweerder], h.o.d.n. [A]
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
a. [Eiser] heeft van [verweerder] twee schadeauto's gekocht, te weten een Volkswagen Golf Cabrio en een Honda Civic CRX. Voor de Volkswagen Golf Cabrio werd een prijs van fl. 9.500,- overeengekomen, de Honda Civic kostte fl. 2.650,- . In totaal moest [eiser] fl. 12.150,- voldoen.
b. In de periode tussen 1 augustus 2001 en 13 december 2001 heeft [eiser] in deelbetalingen in totaal een bedrag van fl. 4.300,-- aan [verweerder] voldaan.
c. Op 4 januari 2002 hebben [eiser] en [verweerder] een (nadere) overeenkomst ondertekend, die, kort gezegd, inhield dat [eiser] op 12 januari 2002 minimaal fl. 1.500 diende te betalen als verdere aanbetaling voor de Volkswagen Golf Cabrio, na welke betaling hij de Honda Civic zou mogen meenemen. Tevens zou dan een einddatum worden afgesproken voor de totale som, met als uitgangsdatum 15 februari 2002. Voorts werd overeengekomen dat indien [eiser] de afspraak niet na zou komen, het recht op de aanbetaling en de levering van de auto's zou vervallen.
d. [Eiser] is de nadere overeenkomst niet nagekomen. [Verweerder] heeft de auto's niet aan [eiser] geleverd.
e. Bij brief van zijn raadsman d.d. 23 januari 2002 aan [verweerder] heeft [eiser] de (beide) koopovereenkomst(en) buitengerechtelijk ontbonden.
1.2 In de onderhavige procedure heeft [eiser] van [verweerder] (terug)betaling van het door hem aanbetaalde bedrag (in euro: € 1.951,25) met rente gevorderd. Daartoe stelt hij, voor zover in cassatie van belang, dat de nadere overeenkomst is tot stand gekomen door bedreiging. De kantonrechter wijst de vordering af zonder inhoudelijk in te gaan op de vraag of er van bedreiging sprake was. Het hof laat [eiser] toe te bewijzen dat hij de nadere overeenkomst onder dwang en/of bedreiging door [verweerder] is aangegaan. Nadat [eiser] en zijn vriendin als getuigen zijn gehoord en [verweerder] en zijn vader in contra-ênquete een verklaring hebben afgelegd, oordeelt het hof in zijn arrest van 27 april 2004 dat het gevraagde bewijs niet is geleverd en wijst het de vordering van [eiser] af.
1.3 [Eiser] is tegen dat arrest tijdig in cassatie gekomen. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Het eerste middel is gericht tegen rov. 2.2 van het bestreden arrest, waarin het hof (onder meer) als volgt overweegt:
"Op grond van artikel 3:44 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is van bedreiging en/of dwang sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. Bedreiging in de zin van art. 3:44 BW Pro kan niet alleen aanwezig zijn wanneer het toebrengen van het nadeel waarmee bedreigd wordt, op zichzelf -dat wil zeggen: wanneer het niet als dreigmiddel zou worden gebruikt- onrechtmatig is, maar ook wannner dit toebrengen van nadeel op zichzelf niet onrechtmatig is, doch het bedreigen ermee niettemin wegens het beoogde doel dan wel wegens de wijze waarop of de omstandigheden waaronder het plaatsvindt, onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro."
Het middel betoogt dat de door het hof gegeven uitleg van art. 3:44 lid 2 BW Pro onbegrijpelijk is.
2.2 Het middel, dat kennelijk bedoelt te klagen dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, faalt. In het de bestreden rechtsoverweging zet het hof uiteen wanneer er sprake is van een bedreiging in de zin van art. 3:44 lid 2 BW Pro. De eerste twee volzinnen van het hierboven weergegeven citaat bevatten een vrijwel letterlijke weergave van de wettekst, terwijl in de derde volzin de in rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde regel met betrekking tot de (ruime) uitleg van het in die wettekst voorkomende begrip 'onrechtmatig' wordt weergegeven(1). Van een onjuiste rechtsopvatting is om die reden dan ook geen sprake. Als dat overigens wel het geval zou zijn geweest, zou het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers op basis van de getuigenverklaringen geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de bedreigende situatie, zoals door [eiser] gesteld, wel heeft plaatsgevonden en is dus helemaal niet toegekomen aan de vraag of "het toebrengen van het nadeel waarmee bedreigd wordt op zichzelf, of wegens het beoogde doel" onrechtmatig is, zodat de in de bestreden rechtsoverweging neergelegde rechtsregel feitelijk ten overvloede is gegeven. Voorts wordt door [eiser] miskend dat de in de bestreden rechtsoverweging neergelegde rechtsregel niet een beperking, maar juist een verruiming van het begrip "onrechtmatig" in de zin van art. 3:44 lid 2 BW Pro inhoudt.
2.3 Het tweede middel klaagt erover dat het hof eraan is voorbijgegaan dat [eiser] een beroep heeft gedaan op het feit dat hij door een buitengerechtelijke verklaring de vernietigbaarheid van de nadere overeenkomst heeft ingeroepen.
2.4 Ook dit middel kan niet tot cassatie leiden. Ten eerste omdat het middel niet aan de door art. 407 lid 2 Rv Pro aan het cassatiemiddel te stellen eisen voldoet, nu [eiser] niet aangeeft waar dit beroep in de processtukken is te vinden. En voorts niet omdat het hof desondanks heeft onderzocht of de nadere overeenkomst moest worden vernietigd omdat deze door bedreiging tot stand was gekomen (hetgeen, zoals ik uit de toelichting op het cassatiemiddel opmaak, kennelijk ook aan de buitengerechtelijke verklaring ten grondslag lag) en tot het oordeel is gekomen dat de daartoe gestelde omstandigheden niet zijn komen vast te staan.
2.5 Het derde middel betreft de bewijswaardering. Het middel klaagt erover dat het hof de verklaring van de vader van [verweerder] ten onrechte van doorslaggevende betekenis heeft geacht, omdat deze als direct familielid van [verweerder] partijgetuige heeft te gelden.
2.6 Ook dit middel faalt. Volgens art. 164 lid 2 Rv Pro kan een verklaring van een partijgetuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de partijgetuigenverklaring geldt dus alleen voor feiten waarvoor die partij het bewijsrisico draagt. Nu de verklaring van de vader van [verweerder] betrekking heeft op feiten waarvoor niet [verweerder], maar [eiser] het bewijsrisico draagt, geldt, zelfs als de vader van [verweerder] als partijgetuige heeft te gelden, de in art. 152 lid 2 Rv Pro neergelegde hoofdregel dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de (feiten)rechter is overgelaten(2). De wijze waarop het hof in het onderhavige geval het voorgebrachte bewijs heeft gewaardeerd, kan in cassatie dan ook niet op juistheid worden getoetst.
2.7 De slotsom is dat de middelen niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342
2 Zie bijv. HR 17 januari 2003, NJ 2003, 176