ECLI:NL:PHR:2005:AU2866
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis
In deze zaak ging het om de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf van een patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank had een machtiging verleend voor vijf jaar, gebaseerd op de situatie dat de patiënt al meer dan tien jaar ononderbroken was opgenomen en dat zijn situatie niet zou veranderen. De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze termijn.
De Hoge Raad overwoog dat de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) onderscheid maakt tussen patiënten in zwakzinnigen- of verpleeginrichtingen en patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis. Voor laatstgenoemden geldt een maximale geldigheidsduur van twee jaar voor een machtiging tot voortgezet verblijf, terwijl voor de eerste categorie een termijn van vijf jaar geldt.
De rechtbank had de vijfjaarstermijn analoog toegepast op de patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis, wat volgens de Hoge Raad in strijd is met het gesloten stelsel van de Wet Bopz, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en bepaalde zelf dat de geldigheidsduur van de machtiging maximaal twee jaar kan zijn, tot 31 mei 2007.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging van vijf jaar en stelt de geldigheidsduur wettelijk vast op maximaal twee jaar.