ECLI:NL:PHR:2005:AU2871
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheidsduur machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis volgens Wet Bopz
In deze zaak gaat het om de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf van een patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank had een machtiging verleend voor vijf jaar, terwijl de wet voor deze categorie patiënten een maximale termijn van twee jaar voorschrijft.
De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Hoge Raad overwoog dat de Wet Bopz onderscheid maakt tussen patiënten in zwakzinnigeninrichtingen of verpleeginrichtingen, waarvoor een termijn van maximaal vijf jaar geldt, en patiënten in psychiatrische ziekenhuizen, waarvoor de termijn maximaal twee jaar is. De rechtbank had de vijfjaarstermijn analoog toegepast, wat niet verenigbaar is met het gesloten stelsel van de Wet Bopz, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en stelde de geldigheidsduur van de machtiging vast op twee jaar, tot uiterlijk 31 mei 2007. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan, waarbij werd benadrukt dat de patiënt al langer dan vijf jaar ononderbroken op grond van rechterlijke machtigingen in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef.
Deze uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van de wettelijke termijnen voor machtigingen tot voortgezet verblijf en onderstreept de noodzaak van periodieke rechterlijke toetsing bij vrijheidsbenemende maatregelen in de geestelijke gezondheidszorg.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging voor vijf jaar en stelt de geldigheidsduur vast op twee jaar.