ECLI:NL:PHR:2005:AU3121

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01254/05 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder c WOTSArt. 25 (1)(a) Immigration Act 1971Art. 140 lid 1 SrArt. 197a leden 1 en 3 SrArt. 31 lid 1 WOTS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid tenuitvoerlegging buitenlandse veroordeling voor mensensmokkel en medeplichtigheid

De zaak betreft de beoordeling door de Hoge Raad van de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging in Nederland van een gevangenisstraf opgelegd door het Crown Court te Maidstone aan een verdachte die betrokken was bij het smokkelen van illegale immigranten van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk, waarbij 58 personen om het leven kwamen.

De Nederlandse rechtbank had de tenuitvoerlegging toegestaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en zes maanden, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis en detentie in het buitenland in mindering werd gebracht. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de toelaatbaarheid, stellende dat hij niet veroordeeld was voor het specifieke Nederlandse strafbare feit van medeplichtigheid bij het verschaffen van toegang uit winstbejag.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet aankomt op de kwalificatie van het buitenlandse gerecht, maar op het feitencomplex waarop de veroordeling is gebaseerd. Uit het vonnis en de sentencing remarks van het Britse gerecht blijkt dat de veroordeling zowel het voorbereiden als het uitvoeren van mensensmokkel omvatte, hetgeen overeenkomt met de Nederlandse strafbare feiten van deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid bij het verschaffen van wederrechtelijke toegang.

Het cassatiemiddel faalt en de Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging en de Nederlandse strafoplegging overeenkomstig het Nederlandse recht. Er zijn geen gronden voor vernietiging van de bestreden uitspraak.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van de Britse gevangenisstraf en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

Nr. 01254/05 W
Mr. Vellinga
Zitting: 13 september 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=de veroordeelde]
1. Bij uitspraak van 9 februari 2005 heeft de Rechtbank te Rotterdam de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het Court of Appeal (criminal division) te Londen (Verenigd Koninkrijk) van 31 juli 2002, waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar, toelaatbaar verklaard en verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en zes maanden. Verder heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd die door de veroordeelde in voorlopige hechtenis en ter executie van de opgelegde vrijheidsstraf in het Verenigd Koninkrijk in detentie is doorgebracht en de tijd die hij in verband met de onderhavige procedure in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest op die gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Verzoeker is veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij het transport in een vrachtcontainer van een groot aantal Chinezen van Nederland naar Engeland, waarbij 58 van hen om het leven zijn gekomen (de zogenoemde Dover-zaak).
4. Het middel houdt in dat de Rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat verzoeker in de onder 1 vermelde rechterlijke beslissing tevens is veroordeeld ter zake van feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn als een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet dat die toegang wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.
5. Uit het vonnis in eerste aanleg, gewezen door het Crown Court te Maidstone op 5 april 2001, blijkt dat verzoeker bij dat vonnis is veroordeeld voor het onder 1 tenlastegelegde, te weten:
"OMSCHRIJVING VAN HET STRAFBARE FEIT
Feit 1
Samenspanning met betrekking tot het uitvoeren van overeengekomen handelingen ter bevordering van de toegang van illegaal binnenkomende personen in strijd met artikel 1 (1) van de "Criminal Law Act 1977".
DETAILS VAN HET STRAFBARE FEIT
[De veroordeelde] en [betrokkene 1] hebben in de periode van 1 april 2000 en 19 juni 2000 () tezamen en in vereniging met onbekende anderen samengespannen met betrekking tot het regelen of uitvoeren van handelingen ter bevordering van de toegang tot het Verenigd Koninkrijk van personen, waarvan zij wisten of redelijkerwijs konden vermoeden dat deze illegaal binnenkomende personen waren."
Blijkens datzelfde vonnis is aan verzoeker als feiten 2, 3 en 4 tenlastegelegd het zich opzettelijk bezig houden met het uitvoeren van overeengekomen handelingen ter bevordering van de toegang van illegaal binnenkomende personen, te weten respectievelijk [betrokkene 2] (feit 2), [betrokkene 3] (feit 3) en 58 als slachtoffer aangemerkte personen (feit 4), als feit 5 poging daartoe met betrekking tot de 58 als slachtoffer aangemerkte personen waarop feit 4 betrekking heeft. Ten aanzien van deze feiten heeft het gerecht in eerste aanleg geen vonnis gewezen en overwogen dat sprake was van subsidiaire feiten ten opzichte van feit 1. Deze oordelen zijn bij de onder 1 genoemde uitspraak in hoger beroep bevestigd.
6. De Rechtbank heeft bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:
"de rechterlijke beslissing, waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht, is gewezen ter zake van feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn, te weten als:
a. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (art. 140 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht);
b. een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet dat de toegang wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen (art. 197a leden 1 en 3 van het Wetboek van Strafrecht).
c. ()
Ten aanzien van de hiervoor onder a. en b. genoemde misdrijven overweegt de rechtbank dat uit de feitelijke beschrijving door de Britse rechter van het gepleegde delict samenspanning ("conspiracy") met betrekking tot het uitvoeren van overeengekomen handelingen ter bevordering van de toegang van illegaal binnenkomende personen, moet worden afgeleid dat hiermee wordt gedoeld zowel op het met een aantal anderen voorbereiden en organiseren van de smokkel van een aantal personen van Nederland naar Groot-Brittannië, als op het uitvoeren van de smokkelhandelingen zelf."
7. Wil een door een vreemde Staat opgelegde sanctie in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd, dan is onder meer vereist dat de rechterlijke beslissing waarbij de sanctie is opgelegd is gewezen ter zake van een feit dat naar Nederlands recht eveneens strafbaar is (art. 3 lid 1 onder Pro c WOTS). Daarbij komt het niet aan op de kwalificatie die in de beslissing is gegeven maar, zoals ook bij art. 5 lid 1 onder Pro a Uw(1), op het feitencomplex ter zake waarvan de sanctie is opgelegd.(2) Acht de rechter de tenuitvoerlegging toelaatbaar, dan legt hij een straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld (art. 31 lid 1 WOTS Pro). Het ligt in de lijn van het bepaalde in art. 3 lid 1 onder Pro c WOTS dat ook hier bepalend is het feitencomplex ter zake waarvan de buitenlandse rechter de sanctie heeft opgelegd en niet de strafrechtelijke kwalificatie die deze aan het feitencomplex heeft verbonden. Bovendien ligt in art. 31 lid1 WOTS opgesloten dat de rechter geen hogere straf kan opleggen dan op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.
8. Het middel voert aan dat de Britse rechter verzoeker niet heeft veroordeeld voor de feiten 2 tot en met 5, zoals hierboven omschreven, en dat het er daarom voor moet worden gehouden dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan verzoeker door de Britse rechter ook straf is opgelegd ter zake van het uitvoeren van de smokkelhandelingen zelf.
9. Het oordeel van de Rechtbank dat de veroordeling van de Engelse rechters ter zake van feit 1 tevens omvat handelingen die kunnen worden aangemerkt als een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van de toegang tot het Verenigd Koninkrijk als bedoeld in art. 197a Sr acht ik, anders dan het middel, geenszins onbegrijpelijk.(3) De Rechtbank heeft voor dit oordeel allereerst terecht steun gezien in de bewoordingen van het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. Dit vermeldt immers mede het samenspannen tot het uitvoeren van, kort gezegd, mensensmokkel. Daarnaast blijkt uit de tot de stukken van het geding behorende "sentencing remarks" van het gerecht van eerste aanleg te Maidstone, gedateerd 5 april 2001, onmiskenbaar dat de veroordeling voor feit 1 niet alleen betreft het voorbereiden en organiseren van de mensensmokkel, maar ook het uitvoeren daarvan in de in art. 197a Sr omschreven vorm. Dit vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat hetgeen als de feiten 2-5 was tenlastegelegd volgens de Engelse rechters opgesloten lag in het als feit 1 tenlastegelegde. Verder zij erop gewezen dat uit de pleitnotities van de raadsman van de veroordeelde blijkt dat ook hij meende dat over de toepasselijkheid van art. 197a Sr weinig discussie mogelijk is.
10. Ter zitting van 26 januari 2005 is door de officier van justitie, kennelijk in aanvulling op de eerder overgelegde stukken, onder meer de tekst van art. 25 (1)(a) van de Immigration Act 1971 en een vertaling naar het Nederlands daarvan overgelegd. De klacht dat dit artikel ontbreekt bij de overgelegde wetsartikelen faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden uitspraak zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.m. N. Keijzer, Handboek Strafzaken, p. [91.6]-3 (suppl. oktober 2003) alsmede HR 25 mei 1999, NJ 1999, 587, HR 3 februari 2004, LJN AO1740.
2 H.G. van der Wilt in Melai/Groenhuijsen, aant. 4 op art. 31 WOTS Pro (suppl. 101, oktober 1996), S.K. de Groot, T&C Strafrecht, vijfde druk, aant. 3 op art. 3 WOTS Pro, en D.J.M.W. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, diss. Utrecht, 1994, p. 309.
3 "Conspiracy" kan ook uitvoeringshandelingen omvatten, vgl. HR 14 januari 2003, nr. 01952/02 U; HR 2 december 2003, nr. 01567/03 U; HR 24 november 1987, NJ 1988, 590.