ECLI:NL:PHR:2005:AU3716
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bij ontgronding onder vergunning en tichelovereenkomst zonder absolute ondergrens
De zaak betreft een geschil over ontgronding van percelen van een landgoed waarbij een stichting een vergunning had voor kleidelving en een overeenkomst sloot met een beheerder en een derde partij voor ontgronding en afgraving. De kern van het geschil was of er een absolute ondergrens van 18,30 meter + NAP gold voor ontgronding en of de derde partij onrechtmatig had gehandeld door beneden die grens grindzand af te graven zonder vergoeding aan de beheerder.
De vergunning en de tichelovereenkomst bevatten geen expliciete maximale ontgrondingsdiepte of absolute ondergrens. Het hof oordeelde dat de provincie het ontgraven beneden 18,30 meter niet als strijdig met de vergunning beschouwde. Osen, de beheerder, kon niet aantonen dat de derde partij wist van een dergelijke ondergrens of dat er een uitdrukkelijke afspraak bestond. Het hof wees de vorderingen af wegens gebrek aan bewijs van wetenschap en onrechtmatig handelen.
Ook de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking werd afgewezen omdat de vermeende vermogensvermeerdering voortvloeide uit contractuele afspraken tussen de derde partij en de stichting, en er geen bewijs was dat de derde partij wist of moest weten dat de stichting niet aan Osen zou betalen. De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde de oordelen van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad wees de vorderingen af wegens ontbreken van een absolute ondergrens en onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking.