ECLI:NL:PHR:2005:AU3723
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen bekrachtiging tussenbeschikking erkenning minderjarig kind
In deze zaak heeft de man de rechtbank Breda verzocht om toestemming tot erkenning van zijn minderjarige dochter. De moeder betwistte dit en stelde dat de man niet de biologische vader is. De rechtbank benoemde een bijzonder curator en stelde verdere beslissingen aan. Na diverse onderzoeken en rapportages, waaronder van de raad voor de kinderbescherming, stelde de rechtbank vast dat de man de biologische vader is en verzocht de raad een onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van erkenning voor het kind.
De rechtbank gaf tussentijds hoger beroep open, waarop het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigde. De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze bekrachtiging. De man voerde verweer en stelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het hof een tussentijdse beschikking bekrachtigde, waartegen geen tussentijds cassatieberoep mogelijk is.
De Hoge Raad bevestigde dat de bekrachtiging van een tussenbeschikking zelf ook een tussenbeschikking is en dat het verbod op tussentijds cassatieberoep van toepassing is, tenzij uitzonderingen van art. 426 lid 4 in Pro verbinding met art. 401a lid 2 Rv. zich voordoen, wat hier niet het geval was. De openstelling van tussentijds hoger beroep betekent niet automatisch openstelling van tussentijds cassatieberoep. Het cassatieberoep van de moeder is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de bekrachtiging van de tussenbeschikking is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het verbod op tussentijds cassatieberoep.