ECLI:NL:PHR:2005:AU3945

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02776/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 lid 1 sub b SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep

In deze zaak stond de vraag centraal of het niet verschijnen van verdachte bij de terechtzitting in hoger beroep kon worden opgevat als afstand van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn. Verdachte had bij het instellen van het hoger beroep een postbusnummer opgegeven, afwijkend van zijn inschrijving in de GBA. De Hoge Raad benadrukte dat in een dergelijk geval vereist is dat een afschrift van de appèldagvaarding aan het opgegeven adres is gezonden.

Het hof had onvoldoende onderzocht of de dagvaarding daadwerkelijk aan het postbusnummer was verzonden, en baseerde zijn oordeel slechts op een handgeschreven aantekening die onvoldoende bewijs vormde. Hierdoor was het onderzoek ter terechtzitting nietig, evenals de daarop gebaseerde uitspraak.

De Hoge Raad stelde dat de dagvaarding in eerste aanleg en de oproeping correct waren betekend, en dat de politierechter verstek mocht verlenen. Echter, in hoger beroep was het oordeel van het hof niet houdbaar vanwege het ontbreken van bewijs van correcte betekening aan het postbusadres.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het bestreden arrest vernietigd moest worden en dat de Hoge Raad een passende beslissing zou nemen. Dit arrest benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht en de zorgvuldigheid bij betekening van dagvaardingen in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar correcte betekening van de appèldagvaarding aan het opgegeven postbusadres.

Conclusie

Nr. 02776/04
Mr Machielse
Zitting 4 oktober 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 10 juni 2003 bij verstek voor verkeersdelicten veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr P. van den Berg, advocaat te Rhoon, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat verdachte ten onrechte in eerste aanleg en in hoger beroep bij verstek is veroordeeld omdat de inleidende dagvaarding en de appeldagvaarding niet volgens de regels zouden zijn uitgereikt.
3.2. Met betrekking tot de appeldagvaarding merk ik op dat zij overeenkomstig art. 588 lid 1 sub b onder Pro 3 Sv op 15 april 2003 is uitgereikt aan de griffier omdat verdachte niet in de GBA was ingeschreven, noch van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. Blijkens het GBA-overzicht van 13 mei 2003 was verdachte op 9 februari 2001 met onbekende bestemming vertrokken. Op 28 april 2003 is nogmaals een betekeningsronde aangevangen, maar ook deze eindigde bij de griffier. De appeldagvaarding lijkt mij dus correct te zijn uitgereikt. Voor zover het middel klaagt dat de appeldagvaarding of de oproeping in appel nietig had moeten worden verklaard faalt het dus.
3.3. Naar aanleiding van het middel wijs ik evenwel op het volgende. Op 10 juni 2002 had verdachte zelf hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 5 oktober 2001 en had daarbij in de appelakte laten opnemen dat hij zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande was, maar hij heeft in de akte wel laten opnemen "p/a Postbus [001]". De steller van het middel verbindt daaraan de conclusie dat de appeldagvaarding nietig had moeten worden verklaard nu verdachte aldus er blijk van heeft gegeven in zijn aanwezigheid te worden berecht, maar dit standpunt is niet juist.
Uit de omstandigheid dat rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte in hoger beroep van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken, volgt dat de appèlrechter - ook al is de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig betekend - in bepaalde gevallen niet op de enkele grond dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen kan aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Daartoe behoort het geval dat door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep in de appèlakte een ander adres (waaronder mede is begrepen een postadres of een postbus) is opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in de GBA. Om te kunnen aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht is in een zodanig geval vereist dat een afschrift van de appèldagvaarding is gezonden aan het in de appèlakte vermelde adres. Het hof had blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak en niet, zoals de steller van het middel bepleit, tot nietigverklaring van de betekening van de appeldagvaarding.(1)
3.4. De inleidende dagvaarding is op 28 november 2000 aangeboden aan het GBA-adres waar verdachte stond ingeschreven en is uiteindelijk aan de griffier uitgereikt. Een afschrift van het gerechtelijk schrijven is verstuurd naar verdachtes adres. Op 25 januari 2001 verscheen verdachte noch een advocaat ter terechtzitting van de politierechter te 's-Gravenhage. Omdat een wijziging van de tenlastelegging moest worden betekend is de behandeling van de strafzaak voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 27 juli 2001 is getracht de oproeping uit te reiken aan verdachtes laatst bekende GBA-adres, maar daar werd niemand aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten en uiteindelijk is de oproeping aan de griffier uitgereikt omdat inmiddels bekend was dat van verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, hetgeen in overeenstemming is met de in hoger beroep gebleken omstandigheid dat verdachte met ingang van 9 februari 2001 was vetrokken onbekend waarheen. Zowel de inleidende dagvaarding als de oproeping voor de nader bepaalde rechtsdag zijn correct uitgereikt en de politierechter heeft verstek mogen verlenen. Omdat er geen aanwijzingen waren die zouden nopen tot aanhouding van de behandeling om verdachte alsnog gelegenheid te geven aanwezig te zijn kon de politierechter de zaak bij verstek afdoen. Ik merk daarbij op dat een dagvaarding of oproeping rechtsgeldig kan worden betekend ook als verdachte er niet van op de hoogte raakt dat hij ter terechtzitting wordt verwacht, anders dan de steller van het middel kennelijk meent.
4. Uit hetgeen ik opmerkte naar aanleiding van het middel volgt dat naar mijn mening de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot het nemen van die in art. 440 Sv Pro aangewezen beslissing die de Hoge Raad gepast voorkomt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 21 januari 2003, LJN AF1978. Dat de steller van het middel beweert dat verzending van een afschrift naar de postbus die verdachte in de appelakte had opgegeven vruchteloos zou zijn omdat dit schrijven dan als onbestelbaar geretourneerd zou zijn of door de curator in ontvangst zou zijn genomen, nu het gaat om de postbus van verdachtes failliet verklaarde werkgever, maakt het betoog van de steller van het middel niet bepaald overtuigender. Omdat deze gegevens evenwel geen feitelijke grondslag hebben laat ik hen onbesproken.