ECLI:NL:PHR:2005:AU3945
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of het niet verschijnen van verdachte bij de terechtzitting in hoger beroep kon worden opgevat als afstand van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn. Verdachte had bij het instellen van het hoger beroep een postbusnummer opgegeven, afwijkend van zijn inschrijving in de GBA. De Hoge Raad benadrukte dat in een dergelijk geval vereist is dat een afschrift van de appèldagvaarding aan het opgegeven adres is gezonden.
Het hof had onvoldoende onderzocht of de dagvaarding daadwerkelijk aan het postbusnummer was verzonden, en baseerde zijn oordeel slechts op een handgeschreven aantekening die onvoldoende bewijs vormde. Hierdoor was het onderzoek ter terechtzitting nietig, evenals de daarop gebaseerde uitspraak.
De Hoge Raad stelde dat de dagvaarding in eerste aanleg en de oproeping correct waren betekend, en dat de politierechter verstek mocht verlenen. Echter, in hoger beroep was het oordeel van het hof niet houdbaar vanwege het ontbreken van bewijs van correcte betekening aan het postbusadres.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het bestreden arrest vernietigd moest worden en dat de Hoge Raad een passende beslissing zou nemen. Dit arrest benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht en de zorgvuldigheid bij betekening van dagvaardingen in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar correcte betekening van de appèldagvaarding aan het opgegeven postbusadres.