ECLI:NL:PHR:2005:AU3961
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep bij verstekvonnis zonder vertaling
Verdachte werd in 1990 bij verstek veroordeeld wegens een overtreding van de Opiumwet. Het vonnis werd in 1991 aan verdachte betekend kort voor zijn uitzetting naar Turkije, zonder vertaling, terwijl verdachte de Nederlandse taal niet beheerste. Verdachte stelde in 2004 tardief hoger beroep in, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk wegens het overschrijden van de termijn.
De verdediging voerde aan dat verdachte recht had op een vertaling van het vonnis en de rechtsmiddelen op grond van artikel 6 EVRM Pro en artikel 14 IVBPR Pro, en dat de betekening daarom niet rechtsgeldig was. De advocaat-generaal stelde dat het hof terecht oordeelde dat verdachte de essentie van het vonnis begreep, mede gelet op het proces-verbaal waarin stond dat de mededeling in een begrijpelijke taal had plaatsgevonden, al dan niet met tolk.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 6 EVRM Pro geen onbeperkt recht op schriftelijke vertaling geeft, maar dat de verdachte voldoende moet kunnen begrijpen waar het vonnis over gaat. Het feit dat verdachte de taal niet machtig was, betekent niet automatisch dat de betekening ongeldig is. Ook mocht van verdachte worden verlangd dat hij zich nader informeerde over de inhoud van het vonnis. Het beroep werd verworpen omdat het hoger beroep te laat was ingesteld.
Uitkomst: Verdachte wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn ondanks het ontbreken van een vertaling van het verstekvonnis.