ECLI:NL:PHR:2005:AU4121
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling testamentaire erfgenaamschap bij samenwoning en bewijsopdracht
De zaak betreft een geschil tussen een voormalige partner van de erflater en diens kinderen over de vraag of de voormalige partner als testamentair erfgenaam kan worden aangemerkt. De erflater had in een testament bepaald dat zijn partner erfgenaam zou zijn indien zij ten tijde van zijn overlijden met hem samenwoonde en een gezamenlijke huishouding voerden.
Eiseres stelde dat zij aan deze voorwaarden voldeed, maar verweerders betwistten dit. De rechtbank stelde een bewijsopdracht aan eiseres om aan te tonen dat zij ten tijde van overlijden samenwoonde met de erflater en een gezamenlijke huishouding voerde. Na het horen van getuigen oordeelde de rechtbank dat eiseres niet aan haar bewijsopdracht had voldaan en wees de vordering af.
Het gerechtshof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de door eiseres overgelegde stukken en getuigenverklaringen onvoldoende waren om het vereiste bewijs te leveren. Eiseres kwam hiertegen in cassatie met drie middelen, die allen werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de waardering van bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd bij het beoordelen van het bewijs en de procesrechtelijke klachten.
De Hoge Raad verwierp ook de klachten over de procedurele afwijking van art. 155 Rv Pro en de vermeende schending van art. 6 EVRM Pro, omdat eiseres niet had aangetoond dat het hof onjuist had gehandeld. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof definitief bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiseres niet als testamentair erfgenaam kan worden aangemerkt.