ECLI:NL:PHR:2005:AU5285

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/091HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 9 EVRMArt. 10 GrondwetArt. 17 IVBPRArt. 18 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontbinding huwelijk ondanks godsdienstig verweer

De zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man die in 1964 zijn gehuwd. Na eerdere procedures en een beschikking van de Hoge Raad in 2003, waarin het cassatieberoep van de vrouw werd verworpen, werd de echtscheiding uiteindelijk door de rechtbank en het gerechtshof uitgesproken en bekrachtigd.

De vrouw voerde in cassatie aan dat de echtscheiding in strijd is met haar godsdienstige overtuiging dat het huwelijk onontbindbaar is, en dat daardoor haar rechten op privacy en godsdienstvrijheid, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, artikel 10 Grondwet Pro en artikel 17 IVBPR Pro, werden geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat deze rechten geen absolute bescherming bieden tegen ontbinding van het burgerlijk huwelijk en dat de wettelijke regeling gerechtvaardigd is vanwege de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

De Hoge Raad bevestigde dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en dat de godsdienstige overtuiging van de vrouw niet verhindert dat de echtscheiding wordt uitgesproken. Het cassatieberoep werd verworpen en de vrouw werd mogelijkerwijs in de kosten van het geding veroordeeld vanwege het gebrek aan kans van slagen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de echtscheiding kan worden uitgesproken ondanks het godsdienstige verweer van de vrouw.

Conclusie

Rek.nr. R05/091HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 25 okt. 2005
conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 6 augustus 1964 in de gemeente Amsterdam met elkaar gehuwd.
2. Tussen partijen is eerder een echtscheidingsprocedure gevoerd die is geëindigd met een beschikking van de Hoge Raad van 27 juni 2003 (R02/078HR, JOL 2003, 351). Bij deze beschikking verwierp de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO Pro het door de vrouw ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 15 augustus 2002, waarbij het hof de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 15 augustus 2000, waarbij op verzoek van de man - onder meer - tussen partijen de echtscheiding was uitgesproken, bekrachtigde. Bij brief van 4 juni 2004 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam de man bericht dat het Register Amsterdam op 2 juni 2004 zijn verzoek tot inschrijving van de echtscheiding heeft ontvangen en dat dit verzoek wegens overschrijding van de inschrijvingstermijn niet is gehonoreerd.
3. Daarop heeft de man zich op 10 juni 2004 andermaal tot de rechtbank Alkmaar gewend met een verzoekschrift strekkende tot - onder meer - het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen.
4. Bij beschikking van 7 oktober 2004 heeft de rechtbank - onder meer - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
5. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 21 april 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
6. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
7. Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen de verwerping door het hof van het door de vrouw tegen de verzochte echtscheiding gevoerde verweer op grond van haar godsdienstige overtuiging, welke meebrengt dat het huwelijk onontbindbaar is. De vrouw voerde in dit verband aan dat het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen inbreuk maakt op de door art. 8 EVRM Pro, art. 17 IVBPR Pro en art. 10 Grondwet Pro gegarandeerde bescherming van het privé- en gezinsleven van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM Pro en art. 18 IVBPR Pro gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw.
8. Het hof heeft met betrekking tot genoemd verweer van de vrouw onder meer overwogen (r.o. 4.5):
"Het beroep dat de vrouw in dit verband doet op artikel 8 EVRM Pro faalt. Het artikel sluit een echtscheiding immers niet uit. Artikel 17 IVBPR Pro en artikel 10 GW Pro bieden geen verdergaande bescherming dan artikel 8 EVRM Pro. (...).
Het beroep op artikel 9 EVRM Pro en artikel 18 IVBPR Pro faalt. Voorzover een wettelijke mogelijkheid tot ontbinding van het burgerrechtelijk huwelijk door echtscheiding al gezien kan worden als een inbreuk op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige opvattingen met echtscheiding niet kan verenigen, wordt deze beperking toegestaan door het tweede lid van artikel 9 EVRM Pro en het derde lid van artikel 18 IVBPR Pro. Het gaat immers om een wettelijke beperking die gerechtvaardigd is door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen."
9. Het middel acht onjuist het oordeel van het hof dat de beperking op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige overtuiging met echtscheiding niet kan verenigen wordt toegestaan door het tweede lid van art. 9 EVRM Pro en het derde lid van art. 18 IVBPR Pro omdat het hier een wettelijke beperking zou betreffen die gerechtvaardigd wordt door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Volgens het middel brengt het hof, door eenzijdig de rechten en vrijheden van een ander te wegen, beide partijen in een positie die onverenigbaar is met de leerstellingen van het kerkgenootschap waarvan zij deel uitmaken. Voorts heeft het hof, door lichtvaardig de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, miskend dat aldus inbreuk geschiedt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw waarvan eerbiediging wordt gegarandeerd in art. 10 Grondwet Pro en artikel 8 lid 1 EVRM Pro, zo betoogt het middel.
10. Het middel faalt. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Bij deze stand van zaken is juist het oordeel van het hof dat de geloofsovertuiging van de vrouw niet in weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541. Zie ook HR 21 januari 2005, JOL 2005, 26 (art. 81 RO Pro) en HR 25 maart 2005, JOL 2005, 178 (art. 81 RO Pro). Evenzeer juist is het oordeel van het hof dat de vrouw in haar door art. 8 EVRM Pro, art. 17 IVBPR Pro en art. 10 Gw Pro gegarandeerde recht op bescherming van het privé- en gezinsleven, noch in haar door art. 9 EVRM Pro en art. 18 IVPBR Pro beschermde vrijheid van godsdienst door het uitspreken van de echtscheiding wordt tekort gedaan. Vgl. de reeds genoemde, in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure door de Hoge Raad gegeven beschikking van 27 juni 2003, JOL 2003, 351 (art. 81 RO Pro) en de conclusie voor deze beschikking onder 12 t/m 14.
11. Het door de vrouw in de onderhavige zaak voorgestelde cassatiemiddel heeft naar de kern genomen dezelfde strekking als het door de vrouw aangevoerde cassatiemiddel in de eerder door partijen gevoerde echtscheidingsprocedure. Het moet de vrouw uit de beslissing van de Hoge Raad op het toen ingestelde cassatieberoep duidelijk zijn geworden dat het thans voorgestelde cassatiemiddel geen kans van slagen heeft. Het onderhavige cassatieberoep moet derhalve geacht worden tegen beter weten in door de vrouw te zijn ingesteld. Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging om met gebruikmaking van de door art. 429 lid 3 Rv Pro geboden vrijheid de vrouw in de kosten van het geding in cassatie te veroordelen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden