ECLI:NL:PHR:2005:AU5481

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00694/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420quater SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad corrigeert kwalificatie en strafoplegging bij schuldwitwassen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verzoekster veroordeeld wegens medeplegen van witwassen met een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Verzoekster was vrijgesproken van andere feiten die haar ten laste waren gelegd.

De Hoge Raad stelt vast dat het bewezenverklaarde feit niet kwalificeert als medeplegen van witwassen ex art. 420bis Sr, maar als medeplegen van schuldwitwassen ex art. 420quater Sr. Dit betekent dat het toepasselijke strafmaximum één jaar gevangenisstraf bedraagt, terwijl het hof een hogere straf heeft opgelegd.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor wat betreft de strafbaarheid, strafoplegging en de toepasselijke wetsartikelen. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling van de straf binnen het juiste wettelijke kader.

De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat de bewezenverklaring terecht is gesteld op het niveau van schuldwitwassen, waarbij sprake is van het redelijkerwijs moeten vermoeden dat de voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. De Hoge Raad benadrukt dat het hof geen keuze heeft gemaakt tussen 'weten' en 'redelijkerwijs vermoeden', maar dat dit niet tot een verkeerde kwalificatie heeft geleid.

Uitkomst: De Hoge Raad corrigeert de kwalificatie naar schuldwitwassen en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging binnen het wettelijke maximum van één jaar gevangenisstraf.

Conclusie

Griffienr. 00694/05
Mr. Wortel
Zitting:25 oktober 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoekster is vrijgesproken van hetgeen haar als feiten 4, 5 en 6 was tenlastegelegd, en wegens (3) "medeplegen van witwassen", is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met bijkomende beslissingen, met name ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Deze zaak vertoont samenhang met de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder de griffienummers 00693/05 en 00695/05, waarin ik heden eveneens concludeer.
4. Het enige middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als hierboven vermeld en/of een zwaardere straf is opgelegd dan de wet toestaat, althans de beslissingen betreffende de kwalificatie van het feit en de straftoemeting onbegrijpelijk zijn.
5. Terecht wijst de steller van het middel er op dat de bewezenverklaring inhoudt dat verzoekster "redelijkerwijs had moeten vermoeden" dat grote hoeveelheden geld, die verzoekster tezamen met anderen voorhanden heeft gehad, van misdrijf afkomstig waren.
Uit een nadere bewijsoverweging blijkt overigens dat hier geen verkeerde keuze is gemaakt tussen de alternatieven ("wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden") die de tenlastelegging noemt.
6. Het bewezenverklaarde feit kan derhalve alleen het in art. 420ter Sr omschreven culpoze witwassen opleveren, waarop een maximale gevangenisstraf van één jaar is gesteld.
7. Het middel treft doel.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing omtrent de strafbaarheid van het feit, de bepaling van de hoofdstraf alsmede de wettelijke bepalingen waarop de straf is gegrond, en terug- of verwijzing van de zaak teneinde in zoverre opnieuw te worden afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,