ECLI:NL:PHR:2005:AU6145
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering aan Verenigde Staten voor valsheidsdelicten ondanks Nederlandse veroordeling
Deze zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon door de Verenigde Staten aan Nederland ter vervolging voor valsheidsdelicten, waaronder het maken van valse verklaringen en meineed bij de aanvraag van een Amerikaans paspoort. De verdachte had zich geïdentificeerd met valse documenten en werd verdacht van het verkrijgen van een paspoort onder valse voorwendselen.
De Nederlandse autoriteiten onderzochten het verzoek en constateerden dat de verdachte reeds in Nederland was veroordeeld voor een van de feiten waarop de uitlevering betrekking heeft, namelijk valsheid in geschrift bij een paspoortaanvraag in Amsterdam. Deze veroordeling was op het moment van het uitleveringsverzoek nog niet onherroepelijk. De Hoge Raad oordeelde dat dit betekent dat de uitlevering voor dat feit niet automatisch ontoelaatbaar is en dat de toelaatbaarheid afhangt van het onherroepelijk worden van het arrest.
Voor de overige feiten die in het uitleveringsverzoek zijn genoemd, was geen sprake van een Nederlandse veroordeling en voldeden de stukken aan de vereisten van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten. De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor deze feiten, waarbij werd benadrukt dat de uitlevering uitsluitend dient voor vervolging en niet voor de tenuitvoerlegging van reeds opgelegde straffen in de VS.
De zaak bevatte uitgebreide bewijsstukken, waaronder een affidavit van een Amerikaanse special agent, arrestatiebevelen, vingerafdrukken en foto’s, die de identiteit en de feiten onderbouwden. De Hoge Raad vernietigde een eerdere uitspraak die de uitlevering had afgewezen en bepaalde dat de verdachte moest worden gehoord over het uitleveringsverzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor vervolging van valsheidsdelicten, ondanks een nog niet onherroepelijke Nederlandse veroordeling.