ECLI:NL:PHR:2005:AU6145

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01225/05 U-II
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 onder a Uitleveringsverdrag NL-VSArt. 5 lid 1a Uitleveringsverdrag NL-VSArt. 6 UitleveringswetArt. 9 lid 1 sub d UitleveringswetArt. 9 lid 2, 3, 5 en 6 Uitleveringsverdrag NL-VS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Verenigde Staten voor valsheidsdelicten ondanks Nederlandse veroordeling

Deze zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon door de Verenigde Staten aan Nederland ter vervolging voor valsheidsdelicten, waaronder het maken van valse verklaringen en meineed bij de aanvraag van een Amerikaans paspoort. De verdachte had zich geïdentificeerd met valse documenten en werd verdacht van het verkrijgen van een paspoort onder valse voorwendselen.

De Nederlandse autoriteiten onderzochten het verzoek en constateerden dat de verdachte reeds in Nederland was veroordeeld voor een van de feiten waarop de uitlevering betrekking heeft, namelijk valsheid in geschrift bij een paspoortaanvraag in Amsterdam. Deze veroordeling was op het moment van het uitleveringsverzoek nog niet onherroepelijk. De Hoge Raad oordeelde dat dit betekent dat de uitlevering voor dat feit niet automatisch ontoelaatbaar is en dat de toelaatbaarheid afhangt van het onherroepelijk worden van het arrest.

Voor de overige feiten die in het uitleveringsverzoek zijn genoemd, was geen sprake van een Nederlandse veroordeling en voldeden de stukken aan de vereisten van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten. De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor deze feiten, waarbij werd benadrukt dat de uitlevering uitsluitend dient voor vervolging en niet voor de tenuitvoerlegging van reeds opgelegde straffen in de VS.

De zaak bevatte uitgebreide bewijsstukken, waaronder een affidavit van een Amerikaanse special agent, arrestatiebevelen, vingerafdrukken en foto’s, die de identiteit en de feiten onderbouwden. De Hoge Raad vernietigde een eerdere uitspraak die de uitlevering had afgewezen en bepaalde dat de verdachte moest worden gehoord over het uitleveringsverzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor vervolging van valsheidsdelicten, ondanks een nog niet onherroepelijke Nederlandse veroordeling.

Conclusie

Nr. 01225/05 U-II
Mr. Knigge
Zitting: 25 oktober 2005
Schriftelijke samenvatting inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. Bij tussenarrest van 20 september 2005 heeft de Hoge Raad vernietigd de uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 29 april 2005 inhoudende de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika ter vervolging. De Hoge Raad heeft bevolen dat de opgeëiste persoon zou worden opgeroepen om te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van heden teneinde te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
2. Op het onderhavige uitleveringsverzoek is - naast de Uitleveringswet - van toepassing het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika d.d. 24 juni 1980, Trb. 1980, 111 (hierna: Uitleveringsverdrag NL-VS).
3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een verzoek tot uitlevering van de Ambassade van de Verenigde Staten bij notanummer 42 van 23 november 2004 tot uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op strafvervolging wegens:
"three (3) counts of making false statements and committing perjury in application for a U.S. passport, in violation of Title 18, Section 1542 of the United States Code; and three (3) counts of perjury, in violation of Title 18, Section 1621 of the United States Code".
4. De verzoekende Staat heeft bij het verzoek onder meer overgelegd een "Affidavit in support of request for extradition" van 27 oktober 2004, dat ten aanzien van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd (in de Nederlandse vertaling) inhoudt dat de opgeëiste persoon:
"zichzelf geïdentificeerd als [de opgeëiste persoon], een aanvraag voor een paspoort heeft ingevuld en ingediend bij het postkantoor Oglethorpe Station, Savannah, Georgia. Hij beweerde dat hij zijn vorige Amerikaanse paspoort had verloren. Als bewijs van zijn staatsburgerschap diende hij een geboortebewijs van de staat Florida in, nummer [001]. Als bewijs van zijn identiteit gaf hij een identificatiekaart van de staat Georgia, nummer [002], uitgegeven op 19 december 2002 en een Social Security kaart met het nummer [003] op naam van [de opgeëiste persoon]. De afdeling integriteit van de Social Security administratie in Miami, Florida, bevestigde dat Social Security nummer [003] toebehoorde aan [de opgeëiste persoon]. In 1999 heeft [de opgeëiste persoon] zijn naam veranderd in [de opgeëiste persoon]. Er werd een onderzoek ingesteld in de misdaaddossiers dat uitwees dat een persoon genaamd [de opgeëiste persoon] (alias [de opgeëiste persoon]) op dat ogenblik was opgesloten in een gevangenis van de dienst Justitiële Inrichtingen in Florida waar hij sinds maart 2001 in hechtenis zat. Een foto gemaakt door de Dienst Justitiële Inrichtingen in Florida gemaakt van [de opgeëiste persoon] toen hij de gevangenis inging, is vergeleken met de foto die afgegeven werd door de persoon die zichzelf identificeerde als [de opgeëiste persoon] op de paspoortaanvraag en er werd vastgesteld dat de personen op de foto's niet dezelfde zijn.
Verder onderzoek van de indexen van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken heeft bevestigd dat op 11 februari 2003, een persoon die zei [de opgeëiste persoon] te zijn een Amerikaans paspoort had aangevraagd bij het postkantoor Oglethorpe Station, Savannah, Georgia en dit had ontvangen. Als bewijs van zijn staatsburgerschap diende hij een geboortebewijs van de staat Florida in, dossiernummer [001]. Als bewijs van zijn identiteit gaf de aanvrager een identificatiekaart van de staat Georgia, nummer [002], uitgegeven op 19 december 2002.
Op 25 november 2003 verscheen een persoon die zei [de opgeëiste persoon] te zijn, bij de Amerikaanse ambassade in Amsterdam, Nederland en verklaarde dat hij zijn Amerikaanse paspoort had verloren. Bij het aanvragen van een nieuw paspoort heeft de aanvrager hetzelfde geboortebewijs uit Florida, de identificatiekaart uit Georgia en de Social Security kaart overgelegd die hierboven beschreven zijn. De persoon die getoond werd in foto's ingediend bij alle drie de aanvragen kwamen met elkaar overeen. Het paspoort is afgegeven. De consulaire ambtenaren wisten niet dat de ware [de opgeëiste persoon] (alias [de opgeëiste persoon]) in de gevangenis zat en dat de aanvrager een oplichter was. Later kregen de consulaire ambtenaren achterdocht door de regelmatige aanvragen en hebben alle paspoorten die op naam van [de opgeëiste persoon] zijn aangevraagd en uitgegeven ongeldig gemaakt."
5. Ter ondersteuning van het onderhavige uitleveringsverzoek heeft de verzoekende Staat de volgende (bewijs)stukken overgelegd:
(i) de tekst van de relevante Amerikaanse wettelijke bepalingen;
(ii) een "criminal complaint" tegen de opgeëiste persoon, van 1 september 2004;
(iii) een gewaarmerkt afschrift van een door G.R. Smith, "United States Magistrate Judge", gegeven arrestatiebevel betreffende de opgeëiste persoon;
(iv) het hiervoor onder 4 vermelde "Affidavit in support of the request for extradition" van 27 oktober 2004, opgesteld door M.A. Murphy, "special agent" van de "Diplomatic Security Service";
(v) afschriften inhoudende de vingerafdrukken en een foto van de opgeëiste persoon.
6. Daarnaast heeft de verzoekende Staat naar aanleiding van bij de Rechtbank gerezen vragen aanvullende informatie verschaft.
7. Uit de gedingstukken blijkt dat de opgeëiste persoon de Amerikaanse nationaliteit heeft.
8. Bij de stukken bevindt zich een aantekening mondeling vonnis waaruit volgt dat de opgeëiste persoon op 27 augustus 2004 door de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam is veroordeeld wegens - kort gezegd - valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) en een reisdocument op grond van valse gegeven doen verstrekken, gepleegd tussen 25 november 2003 en 18 augustus 2004 (feit 1) en tussen 25 november 2003 en 2 december 2003 (feit 2). Naar aanleiding van dit vonnis ben ik de verdere loop van dit geding nagegaan, met de volgende resultaten. De opgeëiste persoon heeft op 10 september 2004 tegen het bedoelde vonnis hoger beroep ingesteld. Uit een afschrift van het in hoger beroep gewezen arrest volgt dat de opgeëiste persoon door het Hof te Amsterdam op 4 februari 2005 voor de eerdergenoemde misdrijven is veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf. Dit arrest is - voorzover bekend - nog niet onherroepelijk.
9. Hieruit leid ik af dat de opgeëiste persoon reeds (in Nederland) is veroordeeld wegens één van de drie feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, namelijk - kort gezegd - de (valse) aanvraag van een paspoort op de Amerikaanse ambassade (waarschijnlijk wordt bedoeld: het Amerikaanse consulaat) te Amsterdam op 25 november 2003. Voor de consequentie van deze veroordeling voor de toelaatbaarheid van de uitlevering ter zake van dit feit is van belang of het bedoelde arrest van het Hof (reeds) onherroepelijk is geworden. Als dit het geval is dan moet de uitlevering van de opgeëiste persoon voor het bedoelde feit op grond van art. 5 Uitleveringsverdrag Pro NL-VS en art. 9 lid 1 sub d onder Pro 1 Uitleveringswet ontoelaatbaar worden verklaard. Als dit niet het geval is, en het gaat om een feit ter zake waarvan ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging gaande is, dan is de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek wat betreft dit feit voorbehouden aan de Minister van Justitie.(1) Wellicht kan de opgeëiste persoon en/of zijn raadsman hierover meer duidelijkheid verschaffen.
10. Voor de overige in het uitleveringsverzoek uiteengezette feiten geldt het volgende.
11. De stukken voldoen aan de eisen van art. 9 lid Pro 2, 3, 5 en 6 van het Uitleveringsverdrag NL-VS. Ook is voldaan aan de in art. 18 van Pro de Uitleveringswet vervatte vereisten.
12. Aan het uitleveringsverzoek is gehecht de tekst van de wettelijke bepalingen waaruit blijkt dat de feiten naar het recht van de Verenigde Staten - Titel 18 U.S.C. §1542 en titel 18 U.S.C. § 1621 (1) - strafbaar zijn.
13. Uit de omschrijving van de feiten volgt dat deze naar Nederlands recht strafbaar zijn op grond van de art. 207, 225 en 231 Sr.
14. Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat naar het recht van de verzoekende Staat een vrijheidsstraf van meer dan een jaar kan worden opgelegd. Naar Nederlands recht kan voor die feiten eveneens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar worden opgelegd.
15. Uit de uiteenzetting van de feiten volgt dat het gaat om strafbare feiten zoals vermeld in de als Bijlage bij het Uitleveringsverdrag NL-VS opgenomen lijst, zodat de feiten op die grond krachtens art. 2 lid 1 onder Pro a van dit verdrag tot uitlevering kunnen leiden:
"10. Bedrog, waaronder begrepen het verkrijgen van goederen, geld of waardepapieren door middel van valse voorspiegelingen, misleiding, leugens of andere bedrieglijke middelen."
16. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat zich enige in de toepasselijke verdragsbepalingen voorziene verplichte grond voor weigering van de verzochte uitlevering voordoet. Op grond van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat het recht tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf naar het recht van de verzoekende Staat of naar Nederlands recht zou zijn verjaard. Reden voor twijfel aan de identiteit van de opgeëiste persoon is er niet.
17. Ingevolge de toepasselijke verdragsbepalingen staat derhalve - met uitzondering van hetgeen ik onder 8 heb opgemerkt - niets aan de toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering in de weg.
18. Deze samenvatting strekt ertoe de gevraagde uitlevering:
a. ontoelaatbaar te verklaren wat betreft het hiervoor onder 9 bedoelde, in het uitleveringsverzoek uiteengezette en op 25 november 2003 te Amsterdam gepleegde feit en de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de overige in het verzoek uiteengezette feiten, indien het onder 8 bedoelde arrest van het Hof te Amsterdam ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek onherroepelijk is geworden;
b. (voor alle feiten) toelaatbaar te verklaren indien het onder 8 bedoelde arrest van het Hof te Amsterdam ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek (nog) niet onherroepelijk is geworden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. Sjöcrona & Orie, Internationaal strafrecht, 3e, p. 180 en HR 25 juli 2000, LJN: ZD1984.