ECLI:NL:PHR:2005:AU6797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02439/05 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 NL-VS UitleveringsverdragArt. 68 SrArt. 54 SUOArt. 2 Kaderbesluit Raad
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitlevering en toepassing ne bis in idem bij eerdere Belgische veroordeling

In deze zaak werd de uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten gevraagd voor drugshandel gerelateerde feiten. De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon reeds in België was veroordeeld voor dezelfde feiten, waardoor uitlevering volgens het ne bis in idem-beginsel niet toegestaan zou zijn.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat uitlevering niet geweigerd wordt indien de straf in België niet is uitgevoerd, niet ten uitvoer gelegd wordt of niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. In deze zaak was niet gesteld dat de straf was uitgevoerd; integendeel, de Belgische veroordeling was onherroepelijk geworden in 2004, maar de straf was niet geëxecuteerd en de Belgische autoriteiten streefden nog uitvoering na.

De Hoge Raad bevestigde dat op grond van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS, artikel 68 Sr Pro en artikel 54 van Pro de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, het ne bis in idem-beginsel alleen toepassing vindt indien de straf is ondergaan, wordt uitgevoerd of niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatiemiddel ongegrond was en het beroep verworpen moest worden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat uitlevering aan de Verenigde Staten toelaatbaar is omdat de Belgische straf niet is uitgevoerd.

Conclusie

Nr. 02439/05 U
Mr Machielse
Zitting 15 november 2005 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De Rechtbank Amsterdam heeft op 5 augustus 2005 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar verklaard voor de feiten die in de aan de uitspraak gehechte bijlage zijn aangegeven.
2. Mr M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de opgeëiste persoon voor hetzelfde feit al in België zou zijn veroordeeld.
De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:
"6. Verweren
6.1. De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van een vervolging voor hetzelfde feit nu de opgeëiste persoon reeds in België is veroordeeld voor het "te koop stellen", "invoeren", "in bezit hebben" en "uitvoeren" van XTC in vereniging in de periode van l juni 2001 tot 8 februari 2002. Blijkens het Belgische vonnis zou de opgeëiste persoon zich gedurende die periode met betrekking tot de uitvoer schuldig hebben gemaakt aan het ronselen van koeriers om XTC over te brengen naar New-York. Nu het onderhavige verzoek gedeeltelijk dezelfde periode betreft dient de uitlevering ontoelaatbaar te worden verklaard.
(...)
De rechtbank overweegt het volgende.
6.3. Blijkens de stukken uit de Belgische uitleveringsverzoeken waarover de rechtbank beschikt, maakt het transport door de koerier [A] op 8 november 2001, voor zover de rechtbank kan beoordelen, geen deel uit van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in België is vervolgd en veroordeeld, nu [A] in de Belgische stukken niet voorkomt, zodat niet aannemelijk is dat de opgeëiste persoon twee maal zal worden veroordeeld terzake van hetzelfde feit."
3.2. Artikel 5 van Pro het toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, gesloten te 's-Gravenhage op 24 juni 1980, Trb. 1980, 111 (verder te noemen 'het Verdrag') heeft de volgende inhoud(1):
"Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer:
a. de opgeëiste persoon door de aangezochte Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht wordt vervolgd, vervolgd is geweest, of is berecht en veroordeeld of vrijgesproken; of
b. uit anderen hoofde tegen de opgeëiste persoon geen vervolging kan worden ingesteld ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht in de aangezochte Staat met betrekking tot het effect van een voorafgaande strafvervolging."
Aangevoerd is dat de opgeëiste persoon in België zou zijn vervolgd en veroordeeld. Onderzocht moet dan worden of zich het geval in art. 5 aanhef Pro en onder b van het Verdrag voordoet, nu er geen beroep op wordt gedaan dat de opgeëiste persoon in Nederland is veroordeeld. De vraag is dus of de opgeëiste persoon in Nederland niet meer zou kunnen worden vervolgd ter zake van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, als de opgeëiste persoon in België reeds daarvoor zou zijn veroordeeld. Om die vraag te kunnen beantwoorden dient artikel 68 Sr Pro te worden geraadpleegd. Het tweede lid daarvan luidt als volgt(2):
"2. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter (AM, dan van de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba), dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van:
1°. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;
2°. veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf."
Artikel 54 van Pro de Schengen Uitvoeringsovereenkomst brengt hierin geen verandering, nu deze bepaling slechts vervolging uitsluit terzake van feiten waarover bij onherroepelijk vonnis in een ander Schengenland reeds is beslist, op voorwaarde dat de opgelegde straf reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd.(3) Hetzelfde zal gelden voor art. 2 van Pro het voorgenomen Kaderbesluit van de Raad inzake de toepassing van het "ne bis in idem"-beginsel, dat vergelijkbaar is qua inhoud.(4)
3.2. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat de in België opgelegde straf al geheel is uitgevoerd.
Integendeel, de pleitnota is ervan uitgegaan, blijkens hetgeen is vermeld onder het hoofd Verzetprocedure België, dat de Belgische veroordeling op zijn vroegst in januari 2004 en op zijn laatst in september 2004 onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de verzettermijn. Daarmee is niet te verenigen dat de in België opgelegde straf al zou zijn geëxecuteerd. Materieel gezien is dus de beslissing van de rechtbank juist, wat er ook zij van de motivering van die beslissing. Daarom is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In deze bepaling van het Verdrag is geen wijziging gebracht door het op 29 september 2004 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag (Trb. 2004, 299) bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake de toepassing van het uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te 's-Gravenhage op 24 juni 1980.
2 Zie NLR 12/68.
3 Zie ook Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 11 februari 2003, NJ 2004, 194 m.nt. Reijntjes.
4 Pb C 100/24 van 26 april 2003, waarvan het eerste lid de volgende inhoud heeft:
"1. Een persoon die in een lidstaat wegens het plegen van een strafbaar feit is vervolgd of bij onherroepelijk vonnis is berecht, overeenkomstig de strafwet en de strafvordering van die lidstaat, kan voor hetzelfde feit niet in een andere lidstaat worden vervolgd indien hij reeds is vrijgesproken of, in het geval van een veroordeling, zijn straf reeds heeft ondergaan of nog ondergaat, of zijn straf niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, overeenkomstig de wetgeving van de staat van de strafzaak."