ECLI:NL:PHR:2005:AU6889
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over deelnemerschapslening en deelnemingsvrijstelling in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een tussenhoudstermaatschappij binnen een concern, verstrekte een prêt participatif aan een Franse vennootschap B, die volgens Frans recht als eigen vermogen kwalificeert. Deze lening werd in 1999 omgezet in een Titre Subordinée à Durée Indéterminée (TSDI) met gewijzigde voorwaarden. De inspecteur stelde dat de omzetting pas vanaf 22 december 1999 fiscaal relevant was en dat de daarop ontvangen vergoedingen niet onder de deelnemingsvrijstelling vielen.
Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en liet het standpunt van de inspecteur dat de omzetting pas per 22 december 1999 plaatsvond, als tardief buiten beschouwing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom dit standpunt niet eerder was ingebracht en dat het hof ten onrechte buiten de rechtsstrijd trad door dit standpunt niet te behandelen.
De Hoge Raad bevestigde dat voordelen uit een deelnemerschapslening onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen, ook indien de lening door een vennootschap wordt verstrekt die op andere gronden een deelneming heeft. Tevens werd benadrukt dat terugwerkende kracht in fiscale zin alleen aanvaardbaar is indien zakelijke gronden dat rechtvaardigen.
De Hoge Raad concludeerde dat het middel van de Staatssecretaris gegrond is en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, met name om het standpunt over de omzettingsdatum nader te onderzoeken. De zaak bevat belangrijke overwegingen over de grenzen van de rechtsstrijd, de taak van de belastingrechter en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in internationale context.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris gegrond en verwijst de zaak voor verdere behandeling.