ECLI:NL:PHR:2005:AU7505
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering van verstekverlening wegens onjuiste dagvaarding in cassatie tegen niet-bestaande rechtspersoon
In deze zaak stond de vraag centraal of verstek kon worden verleend tegen een rechtspersoon die in cassatie werd gedagvaard onder een naam die niet overeenkomt met de handelsnaam in het Handelsregister. De eiser had de dagvaarding gericht aan een rechtspersoon die volgens het Handelsregister niet bestond of een andere naam voerde dan in de procedure was gehanteerd. De Hoge Raad constateerde dat de dagvaarding niet op juiste wijze was betekend en dat de vermeende naamswijziging niet werd ondersteund door het Handelsregister.
De Hoge Raad overwoog dat de eiser het risico draagt om voorafgaand aan de dagvaarding de juiste naam van de rechtspersoon te controleren. Omdat de verweerders in cassatie niet in de procedure betrokken waren, bood artikel 63 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen grondslag voor de dagvaarding op de gekozen wijze. Daarom moest de verstekverlening worden geweigerd.
Ten slotte concludeerde de Hoge Raad dat de weigering van verstekverlening de eiser niet in zijn belangen schaadt, omdat het beroep op de dagvaarding toch niet ontvankelijk zou zijn geweest. De Hoge Raad wees erop dat onduidelijk bleef welke partij in de procedure zou moeten worden vervangen of overgenomen, waardoor het beroep niet tot succes kon leiden.
Uitkomst: Verstekverlening wordt geweigerd wegens onjuiste dagvaarding aan een niet-bestaande rechtspersoon.