ECLI:NL:PHR:2005:AU7505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/277HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van verstekverlening wegens onjuiste dagvaarding in cassatie tegen niet-bestaande rechtspersoon

In deze zaak stond de vraag centraal of verstek kon worden verleend tegen een rechtspersoon die in cassatie werd gedagvaard onder een naam die niet overeenkomt met de handelsnaam in het Handelsregister. De eiser had de dagvaarding gericht aan een rechtspersoon die volgens het Handelsregister niet bestond of een andere naam voerde dan in de procedure was gehanteerd. De Hoge Raad constateerde dat de dagvaarding niet op juiste wijze was betekend en dat de vermeende naamswijziging niet werd ondersteund door het Handelsregister.

De Hoge Raad overwoog dat de eiser het risico draagt om voorafgaand aan de dagvaarding de juiste naam van de rechtspersoon te controleren. Omdat de verweerders in cassatie niet in de procedure betrokken waren, bood artikel 63 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen grondslag voor de dagvaarding op de gekozen wijze. Daarom moest de verstekverlening worden geweigerd.

Ten slotte concludeerde de Hoge Raad dat de weigering van verstekverlening de eiser niet in zijn belangen schaadt, omdat het beroep op de dagvaarding toch niet ontvankelijk zou zijn geweest. De Hoge Raad wees erop dat onduidelijk bleef welke partij in de procedure zou moeten worden vervangen of overgenomen, waardoor het beroep niet tot succes kon leiden.

Uitkomst: Verstekverlening wordt geweigerd wegens onjuiste dagvaarding aan een niet-bestaande rechtspersoon.

Conclusie

Rolnr. C05/277HR
mr J. Spier
Rolzitting 11 november 2005
Conclusie op verstek inzake
[eiser]
tegen
[verweerster 1]
en
[verweerster 2]
1. Verweerders zijn in feitelijke aanleg niet in deze procedure betrokken geweest. Zij worden in het thans bestreden arrest dan ook niet genoemd.
2 Volgens het cassatiemiddel onder A2 is [A] BV thans genaamd [verweerster 2]. Het zou dus gaan om een naamswijziging.
3. Deze voorstelling van zaken vindt in de overgelegde uittreksels uit het handelsregister geen steun. Ten overvloede: evenmin valt daaruit af te leiden dat de in 's Hofs arrest genoemde naam van geïntimeerde ([A] BV)(1) haar/hun handelsnaam zou zijn. Ten slotte: van nieuwe feiten is evenmin sprake. Volgens de uittreksels uit het handelsregister is er sinds 28 mei 1999 niets gewijzigd in de rechtsvorm en benaming.(2)
4. Mogelijk(3) moet worden aangenomen dat de partij die tot en met 's Hofs arrest in rechte is betrokken (een rechtspersoon) nooit heeft bestaan. Dat komt evenwel voor risico van [eiser]. Het had op eenvoudige wijze in het handelsregister kunnen worden nagezien.
5. Een en ander zou slechts de ontvankelijkheid raken, ware het niet dat [eiser] ervoor heeft gekozen om de dagvaarding te doen betekenen op de voet van art. 63 Rv Pro. Nu verweerders in cassatie nimmer in deze procedure betrokken zijn geweest, biedt art. 63 Rv Pro. geen enkele basis om op de daar aangegeven wijze te dagvaarden.(4)
5. Verstek zal moeten worden geweigerd.
6. Ten overvloede: [eiser] wordt daardoor m.i. niet in haar belang geschaad. Het beroep zou immers toch nergens toe kunnen leiden. Immers zou hij n.m.m. niet kunnen worden ontvangen in zijn vordering,(5) gesteld al dat verstek zou worden verleend. Eens te meer omdat duister is welke van de twee in cassatie gedagvaarde partijen in de plaats zou (moeten) komen van [A] BV, gesteld al dat het mogelijk zou zijn dat één hunner de procedure zou overnemen.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot weigering van het verstek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 De onderstreping van mij, AG.
2 Wel zou "de nevenvestiging", kennelijk van [A] BV te [vestigingsplaats], met ingang van 1 februari 2003 zijn opgeheven.
3 Dat kan met niet met zekerheid worden opgemaakt uit de overgelegde stukken. Voor de vraag of verstek al dan niet kan worden verleend, doet het er niet toe.
4 Vgl. HR 8 januari 1982, NJ 1983, 777 WHH.
5 Vgl. HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 rov. 3.5.1-3.5.3.