ECLI:NL:PHR:2006:AB2880
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rechtstreekse werking en toepasselijkheid van artikel 88 lid 3 EG-Verdrag op overschotheffing Meststoffenwet
De zaak betreft een cassatieberoep van F.J. Pape tegen een naheffingsaanslag overschotheffing uit 1988, opgelegd door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De kern van het geschil is of deze heffing in strijd is met het uitvoeringsverbod van artikel 88, derde lid, slotzin, van het EG-Verdrag, dat staatssteun reguleert.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), dat op 13 januari 2005 arresten wees waarin werd verduidelijkt dat een heffing slechts onder het uitvoeringsverbod valt als deze integrerend onderdeel is van een steunmaatregel. Dit vereist een dwingend bestemmingsverband waarbij de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd.
In deze zaak is vastgesteld dat de overschotheffing mede bestemd is voor financiering van een steunmaatregel (het Kwaliteitspremiëringssysteem), maar dat de verdeling van de opbrengst niet wettelijk is voorgeschreven en aan discretionair bestuur is overgelaten. Hierdoor ontbreekt het dwingende bestemmingsverband en heeft de opbrengst geen rechtstreekse invloed op de omvang van de steun.
De Hoge Raad concludeert dat de overschotheffing geen integrerend onderdeel is van de steunmaatregel en dat het beroep op de rechtstreekse werking van het uitvoeringsverbod faalt. De naheffingsaanslag is daarom niet onrechtmatig en het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard omdat de overschotheffing geen integrerend onderdeel is van de steunmaatregel en niet onder het uitvoeringsverbod valt.