ECLI:NL:PHR:2006:AT7227
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering overdrachtsbelasting bij splitsing juridische en economische eigendom van onroerende zaak
Belanghebbende bracht in 1992 onroerende zaken in een vennootschap onder firma in, waarbij de juridische eigendom werd overgedragen, maar de economische eigendom deels bij zijn vader bleef. Na uittreding van de vader uit de vof ontstond discussie over de waardering van de verkrijging van de juridische eigendom van een woning waarvan de economische eigendom bij de vader berustte.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op gebaseerd op de waarde van de volle eigendom, terwijl belanghebbende stelde dat de waarde verminderd moest worden vanwege het voorbehoud van economische eigendom. Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag omdat de Inspecteur geen hogere waarde aannemelijk had gemaakt en achtte het voorbehoud van economische eigendom als waardeverminderend.
De Hoge Raad oordeelde dat persoonlijke omstandigheden zoals het voorbehoud van economische eigendom aan een ander geen waardedrukkende factor zijn bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer voor de overdrachtsbelasting. De waarde van de volle eigendom blijft maatstaf, en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Ook werd geoordeeld dat de boete wegens te weinig aangegeven belasting niet passend was omdat belanghebbende een rechtskundig pleitbaar standpunt had.
De uitspraak verduidelijkt dat bij overdrachtsbelasting geen rekening wordt gehouden met persoonlijke gebruiksrechten of voorbehouden die geen derdenwerking hebben, en bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent waardering en vrijstellingen bij inbreng in vennootschappen.
Uitkomst: De Hoge Raad handhaaft de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en oordeelt dat het voorbehoud van economische eigendom geen waardevermindering veroorzaakt.