ECLI:NL:PHR:2006:AU3106
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid verontreinigingsheffing en subsidiëring door Waterschap Reest en Wieden
In deze zaak staat de rechtmatigheid van de aanslag verontreinigingsheffing 2001 opgelegd door het Waterschap Reest en Wieden centraal. Belanghebbende betwist dat de privaatrechtelijke subsidies aan bedrijven in 2000, die in de begroting 2001 zijn verwerkt, rechtmatig zijn en stelt dat de Verordening onverbindend is vanwege strijd met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).
De Hoge Raad bevestigt dat de verontreinigingsheffing een bestemmingsheffing is, bedoeld ter financiering van kosten voor maatregelen tegen waterverontreiniging. De subsidies aan bedrijven, bedoeld om afhaken te voorkomen en zo het tarief van de heffing te stabiliseren, kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 18 Wvo Pro. Het feit dat deze subsidies in 2000 zijn verstrekt en in 2001 zijn gefinancierd, is toegestaan binnen het omslagstelsel van het Waterschap.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat er geen dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de opbrengst van de heffing en de subsidie, omdat de omvang van de subsidie discretionair is en niet rechtstreeks afhankelijk van de heffingsopbrengst. Hierdoor valt de heffing niet onder het uitvoeringsverbod van artikel 88, derde lid, EG, en kan belanghebbende zich niet beroepen op de rechtstreekse werking daarvan om terugbetaling te verkrijgen.
De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing 2001 rechtmatig is opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing 2001 wordt bevestigd als rechtmatig.