ECLI:NL:PHR:2006:AU3110
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van verontreinigingsheffing en afhakersubsidies onder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
De zaak betreft de rechtmatigheid van een aanslag verontreinigingsheffing 2001 opgelegd door het Waterschap Reest en Wieden aan belanghebbende. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de afhakersubsidies die het Waterschap in 2000 aan bedrijven verstrekte en die in de tarieven van 2001 zijn verwerkt, rechtmatig zijn en of deze subsidies onderdeel uitmaken van een niet aangemelde staatssteunmaatregel.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij het oordeelde dat de tarieven gebaseerd zijn op een door het algemeen bestuur vastgestelde begroting en dat de subsidiëring niet aan de beoordeling van de belastingrechter onderhevig is. Belanghebbende stelde in cassatie dat de subsidies zonder wettelijke basis werden verstrekt en dat de Verordening daardoor onverbindend zou zijn.
De Hoge Raad concludeert dat de afhakersubsidies binnen het ruime kostenbegrip van artikel 18 Wvo Pro vallen en dat het Waterschap kosten die in 2000 zijn gemaakt, mag financieren uit de opbrengst van de heffing in 2001. Tevens is vastgesteld dat er geen dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de subsidie, waardoor de heffing niet als integraal onderdeel van een staatssteunmaatregel kan worden aangemerkt. Hierdoor kan belanghebbende zich niet beroepen op de rechtstreekse werking van het verbod op niet-aangemelde staatssteun. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de aanslag verontreinigingsheffing 2001 is rechtmatig.