ECLI:NL:PHR:2006:AU3490
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verstekveroordeling ondanks detentie verdachte en aanwezigheidsrecht
Op 3 januari 2004 is de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg aan verdachte persoonlijk betekend. Verdachte was echter op 28 februari 2004 in verzekering gesteld en verbleef tot 10 april 2004 in detentie. Tijdens de eerste aanleg was verdachte niet aanwezig, noch vertegenwoordigd door een raadsman, en werd hij bij verstek veroordeeld. Verdachte stelde op 8 maart 2004 beroep in vanuit detentie, maar ook in hoger beroep verscheen hij niet, waarna opnieuw verstek werd verleend.
De Hoge Raad bevestigt het uitgangspunt dat bij persoonlijke betekening van de dagvaarding en afwezigheid van verdachte en zijn raadsman, mag worden aangenomen dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, tenzij duidelijke aanwijzingen het tegendeel bewijzen. Hoewel verdachte tijdens de eerste aanleg gedetineerd was en mogelijk niet in staat werd gesteld aanwezig te zijn, is dit niet bekend geweest bij de rechter. De behandeling in hoger beroep compenseert in principe een inbreuk op het aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.
De dagvaarding in hoger beroep werd op correcte wijze betekend aan de griffier omdat geen verblijfplaats van verdachte bekend was. Verdachte had zich uitgeschreven uit het GBA en vertrok naar het buitenland zonder de gebruikelijke maatregelen te nemen om kennisname van de dagvaarding te waarborgen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de zaak bij verstek heeft behandeld en dat geen reden bestaat tot terugwijzing naar de eerste aanleg. Het middel van cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de verstekveroordeling en wijst het cassatieberoep af.