ECLI:NL:PHR:2006:AU3712
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid testament wegens niet-aanwezigheid getuigen in passeerkamer niet gegrond verklaard
In deze zaak staat centraal de vraag of een testament, verleden op 10 januari 1990, nietig is omdat de vereiste aanwezigheid van twee getuigen in de passeerkamer niet werd nageleefd. De getuigen waren niet in de passeerkamer zelf aanwezig, maar in een aangrenzende kamer met een open deur en intercom, waardoor zij het verlijden konden volgen, hoewel zij ook andere werkzaamheden verrichtten.
Het hof had het testament nietig verklaard wegens het niet voldoen aan het vormvereiste van aanwezigheid van getuigen, en daarmee ook de herroeping en ouderlijke boedelverdeling in het testament. De Hoge Raad stelt dat het vereiste van aanwezigheid inhoudt dat getuigen daadwerkelijk de akte moeten kunnen controleren, wat niet het geval is als zij slechts via een open deur en intercom kunnen volgen en bovendien afgeleid zijn door andere werkzaamheden.
Echter, de Hoge Raad oordeelt dat het oude vormvereiste sinds 1 januari 2003 is vervallen en dat het niet voldoen aan dit vereiste onder het oude recht niet automatisch tot nietigheid leidt indien de getuigen wel in de nabijheid waren en het verlijden konden volgen, ook al niet optimaal. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de vordering tot nietigheid van het testament af, waarmee het testament geldig blijft en de nalatenschap volgens het testament van 10 januari 1990 moet worden verdeeld.
Daarnaast wordt bevestigd dat herroeping en ouderlijke boedelverdeling ook onderworpen zijn aan het vormvereiste, maar de Hoge Raad volgt het oordeel dat het testament niet nietig is. De uitspraak bevat een uitgebreide toelichting op de geschiedenis en ratio van het getuigenvereiste en de ontwikkelingen in het erfrecht die tot versoepeling van dit vereiste hebben geleid.
Uitkomst: Het testament van 10 januari 1990 is niet nietig verklaard ondanks het ontbreken van getuigen in de passeerkamer.