2. Tussen partijen staat onder meer het volgende vast (voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten zij verwezen naar de rechtsoverwegingen 1.1-1.13 van het vonnis in eerste aanleg en de rechtsoverwegingen 1-2 van het arrest van het hof):
i) De erflater is op 1 juli 1982 overleden. [Verweerster] is een van zijn kinderen.
ii) De destijds te 's-Gravenhage gevestigde [betrokkene 4] heeft in eerste instantie de afwikkeling van de nalatenschap van erflater behandeld.
iii) Door het overlijden van erflater werd de door hem aan zijn zoon [betrokkene 2] (tevens een van zijn erfgenamen) verstrekte geldlening ad f 590.000,- terstond opeisbaar. In dat kader heeft [betrokkene 2] in november 1982 f 350.000,- aan de boedel (terug)betaald. Tegelijkertijd zijn aan de overige erfgenamen voorschotten uitbetaald.
iv) In 1984 is door de erfgenamen van de erflater gepoogd tot een definitieve verdeling van de nalatenschap te komen. Daarbij zijn berekeningen gemaakt, welke zijn vastgelegd in een door [betrokkene 4] opgemaakte concept-akte. In deze concept-akte is onder de baten van de nalatenschap onder meer de restantvordering op [betrokkene 2] van f 240.000,- vermeld. Deze vordering is in deze akte vervolgens opnieuw onder de aan [betrokkene 2] toe te delen vorderingen en schulden vermeld.
v) [Betrokkene 2] is in 1987 overleden; de nalatenschap van erflater was toen nog niet gescheiden en gedeeld.
vi) In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater heeft de echtgenoot van [verweerster] (verder: [betrokkene 3]) in december 1989 een gespreksnotitie met daarin een voorstel tot scheiding en deling gemaakt. Dit voorstel heeft tot uitgangspunt gediend voor de notaris bij het opstellen van de akte van dading.
vii) In bedoelde gespreksnotitie staat onder meer vermeld dat [verweerster] het beneficiaire erfgenaamschap van [betrokkene 2] zal aanvaarden teneinde de uitvoering van de overeenkomst mogelijk te maken. In deze gespreksnotitie en in de overgelegde berekeningen wordt geen melding gemaakt van de hiervoor bedoelde geldlening aan [betrokkene 2].
viii) Voorafgaande aan de definitieve totstandkoming van de akte van dading heeft de notaris - in verband met wijzigingen - regelmatig contact gehad met (met name) [betrokkene 3]. In een fax-brief van 15 december 1989 heeft [betrokkene 3] aan de notaris onder meer geschreven dat de partiële scheiding waarbij [verweerster] uiteindelijk overblijft met [betrokkene 2] "een conditio sine qua non" is.
ix) Op 22 december 1989 is een overeenkomst van dading gesloten door of namens de erfgenamen van erflater; de akte van dading hield - onder meer - het volgende in:
"Ten einde de uitvoering van deze overeenkomst mogelijk te maken, zal [verweerster], voornoemd, de nalatenschap van [betrokkene 2] beneficiair aanvaarden. (...) Zodra [verweerster], voornoemd, deze nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, verklaart zij zich nu reeds voor alsdan onherroepelijk gebonden aan de inhoud van deze overeenkomst van dading en deze geheel conform te zullen uitvoeren."
x) Op 18 januari 1990 heeft [verweerster] de nalatenschap van [betrokkene 2] beneficiair aanvaard.
xi) Op 6 augustus 1990 is een als "partiële scheiding en deling" aangeduide akte tussen de erven van de erflater opgemaakt met betrekking tot diens nalatenschap. De akte bepaalde onder meer dat het (één/achtste) aandeel van [betrokkene 2] in die nalatenschap niet in deling wordt gebracht en dat aan [verweerster] als erfgename van haar vader worden toegescheiden alle vorderingen en rechten "die de deelgenoten hebben of in de toekomst nog verkrijgen op nu wijlen [betrokkene 2]".
xii) [Verweerster] heeft een procedure tegen de ex-echtgenote van [betrokkene 2] gevoerd teneinde haar uit hoofde van borgstelling aan te spreken. Door de rechtbank is de vordering van [verweerster] afgewezen. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd door het hof. Het hof heeft daartoe overwogen dat de dadingsovereenkomst - bezien in samenhang met het concept-1984 en de berekeningen waarop de van die overeenkomst opgemaakte akte is gebaseerd - moet worden beschouwd als een volledige boedelscheiding en dat partijen bij de dading kennelijk ervan zijn uitgegaan dat [betrokkene 2]s restantschuld uit hoofde van geldleen als gevolg van wilsovereenstemming tussen alle erfgenamen is verrekend met [betrokkene 2]s erfdeel; dit, gelet op de omstandigheid dat [betrokkene 2] en de overige erfgenamen van erflater de terugbetaling in 1982 door [betrokkene 2] van het bedrag van zijn restantschuld verminderd met ongeveer het bedrag van het hem uit de nalatenschap toekomende voorschot hebben opgevat als een verrekening van [betrokkene 2]s restantschuld met zodanig voorschot (een verrekening waaraan in 1982 gebreken kleefden). Het door [verweerster] ingestelde cassatieberoep is verworpen bij arrest van 12 september 1997, waartoe uw Raad onder meer heeft overwogen dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat in de dadingsovereenkomst niet van een partiële scheiding en deling wordt gesproken en dat de aan de dading ten grondslag gelegde (van de echtgenoot van [verweerster] afkomstige) berekeningen van 1989 nauwkeurig aansluiten op de gegevens die reeds waren vervat in de concept-akte van 1984, dwingen tot de conclusie dat de dadingsovereenkomst een volledige boedelscheiding inhield die de effecten van de voorschotverlening en verrekening van 1982 in stand liet. Uw Raad heeft voorts overwegen dat voorzover discrepantie bestaat tussen het karakter van de dadingsovereenkomst van 1989 en de "partiële scheiding en deling" van 1990, zulks aan een koerswijziging dient te worden toegeschreven die niet ertoe kan leiden dat een reeds tenietgegane vordering (van erflaters boedel op de boedel van [betrokkene 2]) herleefde.