ECLI:NL:PHR:2006:AU4336
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing landbouwvrijstelling bij niet feitelijk gebruikt perceel grond in glastuinbouwbedrijf
Belanghebbende, een maatschap die een glastuinbouwbedrijf uitoefent, kocht een perceel grond met de bedoeling dit te gebruiken voor bedrijfsuitbreiding. Het perceel werd echter niet daadwerkelijk voor de teelt gebruikt, maar slechts omgespit en onkruidvrij gehouden. Vanwege financieringsproblemen werd het perceel binnen korte tijd weer verkocht met winst.
De kern van het geschil betrof de vraag of de behaalde boekwinst onder de landbouwvrijstelling viel. Het Hof oordeelde dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing was omdat het perceel niet feitelijk werd gebruikt voor de landbouw, ondanks dat het tot het ondernemingsvermogen behoorde.
De Hoge Raad bevestigde dat de landbouwvrijstelling alleen geldt voor gronden die feitelijk dienstbaar zijn aan de uitoefening van het landbouwbedrijf. Het enkele feit dat grond tot het ondernemingsvermogen behoort is onvoldoende. Ook werd benadrukt dat braakliggende grond onder omstandigheden nog wel als landbouwgrond kan gelden, maar dat dit niet het geval is bij grond die slechts is omgespit en onkruidvrij gehouden zonder daadwerkelijke teelt.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en verwees de zaak terug, waarbij de juiste toepassing van het criterium van feitelijk gebruik centraal staat. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de landbouwvrijstelling in situaties van niet of tijdelijk niet gebruik van landbouwgrond binnen een landbouwonderneming.
Uitkomst: De landbouwvrijstelling is niet van toepassing op de boekwinst van het perceel omdat het niet feitelijk werd gebruikt voor landbouw.