ECLI:NL:PHR:2006:AU5283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vernietiging erkenning minderjarig kind wegens dwaling
In deze zaak heeft de man op 27 mei 1999 zijn kind erkend, hoewel hij voorafgaand aan de erkenning al het vermoeden had dat hij mogelijk niet de biologische vader was. Later verzocht hij de rechtbank om de erkenning te vernietigen op grond van dwaling en bedrog. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat geen sprake was van dwaling omdat de man bewust het risico had genomen.
De man ging in beroep bij het hof, dat de beslissing van de rechtbank bevestigde. Het hof overwoog dat de erkenner zich bewust was van het risico dat hij niet de vader was en dat er geen sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken. Het hof gaf aan dat het belang van de man om zekerheid te verkrijgen over het vaderschap begrijpelijk was, maar dat het hof daarover geen uitspraak kon doen.
De man stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, stellende dat het hof ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar een mogelijk bedrog. De Hoge Raad verwierp dit beroep, omdat voor vernietiging op grond van bedrog vereist is dat de erkenner door een opzettelijke misleiding een valse voorstelling van zaken heeft gekregen, wat hier niet het geval was. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen en wees het beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de erkenning van het kind wordt afgewezen.