ECLI:NL:PHR:2006:AU6282
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafrechtelijke aansprakelijkheid werkgever voor overtreding rij- en rusttijden volgens Arbeidstijdenbesluit vervoer
In deze zaak stond centraal de vraag of het fictieve daderschap van de werkgever, zoals geregeld in artikel 8:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, rechtsgeldig is ondanks dat deze regeling niet in een formele wet was vastgelegd ten tijde van de feiten (juni 2001 - april 2002).
De Hoge Raad overwoog dat de regeling gebaseerd is op artikel 5:12 van Pro de Arbeidstijdenwet en artikel 1 van Pro de Wet op de economische delicten, waarbij de werkgever in beginsel als normadressaat geldt. De regeling handhaaft het principe uit de Rijtijdenwet 1936 dat de werkgever aansprakelijk is, tenzij hij aantoont dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om naleving te verzekeren. De memorie van toelichting bij de wetswijzigingen bevestigt dat de wetgever de werkgever als dader wilde aanmerken.
De Hoge Raad benadrukte dat artikel 51 Sr Pro voldoende grondslag biedt om de werkgever als dader aan te merken, ook als de wettelijke basis niet expliciet in de Arbeidstijdenwet was opgenomen. De toerekening van de gedraging aan de rechtspersoon wordt beoordeeld aan de hand van criteria zoals of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvond, of deze past in de normale bedrijfsvoering en of de rechtspersoon erover kon beschikken.
De feiten toonden aan dat de overtredingen plaatsvonden binnen de bedrijfsvoering van de werkgever en dat de chauffeurs in dienst waren. Daarmee was het bewijs van het daderschap van de werkgever voldoende onderbouwd. Het middel van cassatie dat de regeling onverbindend zou zijn, werd verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De werkgever werd strafrechtelijk aansprakelijk gehouden voor overtredingen van rij- en rusttijden van zijn werknemers op grond van artikel 51 Sr en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.