ECLI:NL:PHR:2006:AU6524
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Erfrechtelijk geschil over eigendom plantage uit onverdeelde nalatenschap en verkrijgende verjaring
In deze Antilliaanse civiele zaak staat de eigendom van een plantage centraal die behoort tot een onverdeeld gebleven nalatenschap van een in 1872 overleden erflaatster. Eisers, nakomelingen en erfgenamen, vorderen exclusief eigendom op grond van verkrijgende verjaring en erfopvolging. In eerste aanleg werden zij in het gelijk gesteld, waarbij hun vader als bezitter te goeder trouw werd gezien die de plantage via verjaring had verkregen.
In hoger beroep vernietigde het Gemeenschappelijk Hof dit oordeel. Het Hof stelde vast dat de vader van eisers niet de enige erfgenaam was en dat eisers niet konden bewijzen dat zij of hun vader bezitter waren van de gehele plantage. Ook werd geoordeeld dat andere erfgenamen stilzwijgend de nalatenschap hadden aanvaard door langdurig gebruik en betaling van grondbelasting. Hierdoor faalde het beroep op verkrijgende verjaring en exclusief eigendom.
Eisers stelden cassatieberoep in tegen het vonnis van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep tegen de beslissingen betreffende twee verweerders niet ontvankelijk was vanwege tussentijdse procedures. Voor het geschil met de eerste verweerder werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht oordeelde dat eisers niet exclusief eigenaar zijn op grond van verkrijgende verjaring en erfopvolging, mede omdat zij niet het bezit van de gehele plantage konden aantonen en andere erfgenamen stilzwijgend de nalatenschap hadden aanvaard.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk voor twee verweerders en verworpen voor de eerste verweerder; eisers zijn niet exclusief eigenaar van de plantage.