ECLI:NL:PHR:2006:AU6528
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen ontheven ouders en pleegouders over minderjarig kind
Deze zaak betreft een geschil tussen ouders die ontheven zijn van het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind en de pleegouders die tot voogden zijn benoemd. De ouders verzochten om vaststelling van een omgangsregeling met het kind, maar de rechtbank wees dit verzoek af op basis van art. 1:377f BW. Het hof verklaarde de ouders niet-ontvankelijk omdat zij geen nauwe persoonlijke betrekking met het kind hadden volgens die maatstaf.
In cassatie klaagden de ouders dat het hof ten onrechte art. 1:377f BW toepaste in plaats van art. 1:377a BW, dat ziet op omgangsregelingen voor juridische ouders die niet het gezag uitoefenen. De Hoge Raad bevestigde dat het verzoek van de ouders aan de maatstaf van art. 1:377a BW moet worden getoetst, omdat zij juridische ouders zijn en daarmee per definitie 'family life' hebben met het kind.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn ambtshalve verplichting tot aanvulling van rechtsgronden niet had geschonden en dat het verzoek van de ouders niet uitsluitend op art. 1:377f BW was gebaseerd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling, waarbij ook onderzocht moet worden of het recht op omgang op grond van art. 1:377a lid 3 BW moet worden ontzegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor beoordeling aan de hand van art. 1:377a BW.