1 Zie voor een gedetailleerde weergave rov. 2 van het tussenvonnis van de rechtbank in de eerste aanleg van 11 maart 1994. Het hof heeft de daar vastgestelde feiten blijkens rov. 3 van zijn tussenarrest van 20 maart 2001 aan zijn beslissing ten grondslag gelegd.
2 Verstekvonnis van 25 september 1999 en verzetdagvaarding, beide overgelegd bij akte namens Léséleuc van 2 maart 1999; zie ook alinea's 10 en 11 hierna.
3 Fortuna heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep laten instellen. De dagvaarding is van 3 mei 2004, terwijl het eindarrest van 3 februari 2004 was. De vormen voor betekening in het buitenland zijn alle correct nageleefd (overigens: Léséleuc is in cassatie verschenen, zodat dit gegeven niet nader behoefde te worden onderzocht).
4 Zoals ook wordt ondersteund door de bronnen waarop in alinea's 13 en 14 van deze noot een beroep wordt gedaan.
5 Zie bijwege van oriëntatie T&C Burgerlijk Wetboek, 2005, Stolker, art. 3:303, aant. 1.
6 Pleitnota namens Léséleuc in appel, alinea 22; zie opnieuw alinea's 10 en 11 hierna.
7 Mijn nieuwsgierigheid omtrent de vraag of de dwangsomvordering ten tijde van de dagvaarding van 9 juni 1997 als gevolg van het in art. 611g lid 1 Rv. bepaalde was verjaard (of waarom dat niet zo was), heb ik aan de hand van de dossierstukken niet kunnen bevredigen.
8 Voor de procedure betreffende vorderingen tot levensonderhoud gelden andere regels, zie o.a. HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104 m.nt. DA, rov. 3.6; HR 5 november 1999, NJ 2000, 65, rov. 3.3.2.
9 De openbare orde en de devolutieve werking van het appel spelen in de onderhavige zaak geen rol. Daarop wordt (dan) ook geen beroep gedaan.
10 Zie over het in dit arrest omschreven zgn. "grievenstelsel" verder Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Mollema, art. 332, aant. 15 - 17; Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, hoofdstuk 2; Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs. 162 - 166, 176, 182 - 183 en 216; alle met talrijke verdere verwijzingen.
11 Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40; Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 168.
12 Ofschoon bepaald in de rede ligt dat zo'n grief - in de praktijk wel aangeduid als "veeggrief" - mede kan beogen dat argumenten die overigens in de grieven niet (expliciet of duidelijk) aan de orde zijn gekomen, in de rechtsstrijd worden betrokken. Ook als dat oogmerk ongetwijfeld aanwezig is, is het met het oog op de positie van de verweerder gewoonlijk niet aanvaardbaar, dat argumenten van een appellant zo versluierd naar voren worden gebracht.
13 Vastgesteld bij het Beneluxverdrag dat uit Trb. 1974, 6 kenbaar is; zie voor verdere gegevens Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Van Mierlo, p. II.5 - 1284 e.v.
14 NJ 1984, 704 m.nt. WHH ( noot van mij, A - G).
15 Kritiek op deze denkbeelden in de noot van Snijders onder de publicatie van het arrest in NJ (1993, 545).
16 Ik illustreer deze gedachte nader met de stelling dat, ware het antwoord op de vandaag te beoordelen vraag inderdaad overeenkomstig het in het arrest van 1992 gevonden antwoord, niet valt in te zien waarom niet ook de cassatierechter bevoegd zou zijn - maar daardoor in voorkomend geval (bijvoorbeeld: als partijen daarover in cassatie hebben gestreden) ook gehouden zou zijn - om zich uit te laten over de dwangsom die in een gegeven situatie als de meest adequate moet worden aangemerkt. De beperkingen die de wet aan de in cassatie te geven beoordeling stelt zijn immers niet van een ander "gehalte" dan de beperkingen die het grievenstelsel voor de appelrechter meebrengt. Als de Eenvormige Wet vooropstelt dat de rechter steeds vrij moet zijn om zijn oordeel over dwangsommen ambtshalve te vormen, valt niet in te zien waarom niet ook de cassatierechter hier aan de hem bij de wet opgelegde (andere) beperkingen zou mogen - maar waar nodig dus ook: zou moeten - voorbijgaan. En toch dringt die uitkomst zich op als bepaald onaannemelijk.
17 Een gegeven waarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad overigens in toenemende mate aandacht wordt gevraagd; ik noem als slechts één in het oog lopend (en enigszins aan het vandaag te beoordelen geval herinnerend) voorbeeld HR 8 april 2005, RvdW 2005, 51, rov. 3.5.
Dit geval illustreert bovendien, dat het mogelijk is om een (vergaande) ambtshalve bevoegdheid van de rechter te verzoenen met het respecteren van het beginsel, dat onder de trefwoorden "hoor en wederhoor" bekend staat: uitoefening van een dergelijke bevoegdheid belet niet, dat ruimte wordt geboden voor partijen om zich uit te laten over de wijze waarop de rechter die bevoegdheid zou kunnen uitoefenen.
18 Zie intussen ook alinea 28 hierna en de daar aangehaalde bronnen.
19 HR 31 mei 2002, NJ 2003, 343 m.nt. HJS, rov. 3.5. A fortiori kán de appelrechter in een situatie als de onderhavige, kiezen voor het in dit arrest aangegeven beleid, en is hij dus niet verplicht voor de andere weg te kiezen.
20 HR 22 januari 1999, NJ 1999, 381 m.nt. DWFV, rov. 3.5.
21 Het hof heeft zijn beslissing op dit punt (en ook wat betreft de gegeven kostenveroordeling) niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard (waarbij misschien een rol gespeeld heeft dat in appel niet om uitvoerbaarverklaring bij voorraad was verzocht, zie HR 14 mei 2004, NJ 2005, 247 m.nt. HJS, rov. 3.3.1 - 3.3.3); maar hierover wordt, als ik het goed begrijp, in cassatie niet geklaagd. Gegeven het in cassatie niet bestreden (en in de feitelijke instanties in confesso zijnde) feit dat Léséleuc inmiddels, namelijk: al op 6 september 1996, aan het bevel gevolg had gegeven, zou Fortuna bij een klacht op dit thema ook geen belang hebben.
22 Mij is geen bron bekend die anders verdedigt. Ik doe een greep uit de (Nederlandse) bronnen die deze opvatting bevestigen: HR 30 juni 2000, NJ 2000, 535, rov. 3.3; HR 19 februari 1993, NJ 1993, 624 m.nt. AHJS, rov. 3.4; HR 4 november 1988, NJ 1989, 244 m.nt. MMM, rov. 3.3; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Van Mierlo, art. 611a, aant. 6 en art. 611b, aant. 1 en 2; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, p. 261 - 262; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2002, Jongbloed, art. 611a, aant. 7 en 8 en art. 611b, aant. 1; Oudelaar, Recht Halen, 2000, p. 44 - 45; Vademecum Burgerlijk Procesrecht (Executie en beslag), Van Rossum, nr. 66.3; Jongbloed, De dwangsom in het Nederlandse privaatrecht, 1991, p. 32. (Z.O.Z.)
De ruime beoordelingsvrijheid die de rechter hier heeft ligt ook, en al daarom voor de hand, omdat dwangsommen in zo geheel uiteenlopende situaties aan de orde (kunnen) komen: bij een bevel tot levering van een olietanker, maar ook bij de nakoming van de getuigenplicht, van een omgangsregeling, of van een ge- of verbod in verband met hanengekraai. Dat dit scala aan mogelijkheden een voor elk geval "op maat" bedachte dwangsomveroordeling nodig maakt - en dat daarbij aan de motivering van de door de rechter gemaakte keuze geen overdreven eisen mogen worden gesteld - dringt zich dan als in hoge mate aannemelijk op.