ECLI:NL:PHR:2006:AU6742
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van verzoek tot het horen van getuigen en bevestiging van juiste procedure in hoger beroep
In deze zaak heeft de verdediging van verdachte verzocht om het horen van twee verbalisanten als getuigen, zowel schriftelijk voorafgaand aan de terechtzitting van 15 december 2003 als mondeling tijdens de terechtzitting van 22 oktober 2004. Het hof wees deze verzoeken af, eerst op grond van het verdedigingscriterium en later op het noodzaakcriterium. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verzoek correct heeft beoordeeld en afgewezen op de juiste wettelijke gronden, namelijk de gronden vermeld in art. 288.1 Sv en art. 287.3.a Sv.
Daarnaast klaagde de verdediging dat de zaak had moeten worden terugverwezen naar de politierechter omdat verdachte niet aanwezig kon zijn bij de eerste aanleg wegens detentie in Duitsland. De Hoge Raad stelt vast dat het hof terecht het onderzoek heeft geschorst en later voortgezet vanwege gewijzigde samenstelling, en dat het niet verplicht was de zaak terug te verwijzen naar de politierechter op grond van art. 423, tweede lid, Sv. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtspraak dat dergelijke procedurele omstandigheden geen reden zijn voor terugwijzing.
De Hoge Raad wijst de cassatieberoepen af en bevestigt het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf en verbeurdverklaring van voertuigen onverminderd blijft. De beslissing van het hof om het verzoek tot het horen van getuigen af te wijzen is niet onbegrijpelijk en berust op een juiste toepassing van de wet.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt het arrest van het hof.