ECLI:NL:PHR:2006:AU6786
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid inleidende dagvaarding wegens onjuiste betekening en vernietiging arrest hof
Verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld wegens meervoudige diefstal. Het hof legde een gevangenisstraf van een maand op en verplichtte verdachte tot betaling van een schadevergoeding.
Namens verdachte werden twee cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn van behandeling, wat werd erkend maar niet tot vernietiging leidde. Het tweede middel betrof de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, waarbij onduidelijkheid bestond over de datum en wijze van betekening.
De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding van 11 april 2001 niet op de juiste wijze was betekend, omdat de akte van uitreiking verwees naar een poging tot betekening op 9 april 2001, vóór de datum van de dagvaarding zelf. Hierdoor was het oordeel van het hof dat de dagvaarding geldig was, onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verklaarde de inleidende dagvaarding nietig, zonder de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Tevens werd opgemerkt dat de dagvaarding in hoger beroep te kort was betekend, maar dat dit niet tot nadeel van verdachte had geleid. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en nietigverklaring van de dagvaarding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de inleidende dagvaarding nietig wegens onjuiste betekening.