ECLI:NL:PHR:2006:AU6932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over medehuur en duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen grootmoeder en kleinzoon
De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en een huurster met haar kleinzoon over de vraag of de kleinzoon medehuurder kan worden op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de grootmoeder, zoals bedoeld in art. 7:267 BW Pro (voorheen art. 7A:1623h oud BW).
De kleinzoon en de grootmoeder vorderden medehuur, stellende dat zij sinds 1986 samenwoonden en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. De verhuurder weigerde dit medehuurderschap. Zowel de kantonrechter als de rechtbank wezen de vordering af, onder meer vanwege het grote leeftijdsverschil, het aanvankelijke doel van de samenwoning en de slechte gezondheid van de grootmoeder na haar herseninfarct, waardoor volgens hen geen duurzame huishouding meer bestond.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de duur van de samenwoning (circa 15 jaar) en dat het oordeel dat de samenwoning niet duurzaam zou zijn wegens het leeftijdsverschil en de gezondheidstoestand onvoldoende is gemotiveerd. Ook stelt de Hoge Raad dat de rechtbank een te hoge stelplicht heeft gehanteerd ten aanzien van het duurzaamheidsvereiste. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling.