ECLI:NL:PHR:2006:AU7119

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00498/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van opzetheling met onvoldoende strafmotivering

In deze zaak werd verzoeker door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van opzetheling. De bewezenverklaring betrof het voorhanden hebben en overdragen van ING Verzamelbrieven, overdraagbare schuldbewijzen bestemd voor handel tussen geldinstellingen.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat het hof ten onrechte had vastgesteld dat het feit zowel in Rotterdam als Delft was begaan, terwijl alleen voor Delft voldoende bewijs was geleverd. Daarnaast was de strafmotivering ontoereikend doordat het hof aannames deed over de strafwaardigheid van het handelen van verzoeker zonder dat daarvoor voldoende bewijs was aangedragen.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof niet duidelijk had gemaakt waarom personen [medeverdachte 1] zonder prompte betaling zouden vertrouwen, noch dat de strafwaardigheid mede bepaald werd door voorgenomen verzilvering van andere gestolen stukken. Ook was het hof tekortgeschoten in het onderbouwen van de verblijfplaats van medeverdachte [medeverdachte 2].

Gelet hierop werd de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting, waarbij het hof zonodig aanwijzingen van de Hoge Raad dient te volgen.

De zaak benadrukt het belang van een nauwkeurige bewezenverklaring en een duidelijke, op bewijs gestoelde strafmotivering in strafzaken.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende motivering en terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Griffienr. 00498/05
Mr. Wortel
Zitting:22 november 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens "medeplegen van opzetheling" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat het feit in Rotterdam en in Delft is begaan.
4. De bewezenverklaring betreft het voorhanden hebben van ING Verzamelbrieven; overdraagbare schuldbewijzen in denominaties van één miljoen (euro of gulden), die uitsluitend bestemd zijn om tussen geldinstellingen onderling verhandeld te worden.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat zekere [medeverdachte 1] bereid was deze drie Verzamelbrieven (twee van één miljoen euro en één van één miljoen gulden) voor € 600.000 van verzoeker over te nemen, waarna verzoeker die drie Verzamelbrieven aan [medeverdachte 1] en diens compagnon heeft gegeven. Deze overdracht vond plaats in Delft. Uit de bewijsmiddelen 1 en 3, in samenhang beschouwd, kan worden afgeleid dat de compagnon van [medeverdachte 1] zekere [medeverdachte 2] was, en dat verzoeker één Verzamelbrief aan [medeverdachte 1], en de andere twee stukken aan [medeverdachte 2] heeft overhandigd.
5. De bewezenverklaring vindt in de gebezigde bewijsmiddelen derhalve zeker voldoende steun voor zover inhoudend dat het feit te Delft is begaan.
6. Verder merk ik op dat bij de behandeling in hoger beroep pogingen zijn gedaan genoemde [medeverdachte 2] als getuige te doen verschijnen, waarbij gebruik is gemaakt van het laatste van deze persoon bekende adres. Dat is een adres in [plaats A].
7. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring betrekking heeft op het medeplegen van opzetheling, heeft het Hof, bewezen verklarend dat het feit mede in Rotterdam is begaan, hoogst waarschijnlijk het oog gehad op de verblijfplaats van de mededader [medeverdachte 2], doch verzuimd een bewijsmiddel bij te brengen waarin die verblijfplaats is genoemd.
8. Nu de bewijsmiddelen er geen enkele twijfel over laten bestaan dat het bewezenverklaarde feit zeker in Delft is gepleegd, en de omstandigheid dat het feit ook nog in een andere gemeente is begaan geen invloed kan hebben op de strafbaarheid of de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde, stel ik voor de bewezenverklaring aldus verbeterd te lezen dat "Rotterdam en" daar geen deel van uitmaakt.
Daardoor zal de feitelijke grondslag aan het middel komen te ontvallen.
9. Het tweede middel behelst de klacht dat de strafoplegging niet op toereikende en begrijpelijke wijze is gemotiveerd, omdat het Hof mede in aanmerking heeft genomen:
"Uit de omstandigheden - onder andere de overgifte zonder prompte (aan)betalingen aan medeverdachte [medeverdachte 1] aan wie mensen die hem kennen dat niet gauw zullen doen - leidt het hof af dat vermoedelijk beproefd is een afzetkanaal te vinden voor een reeks nog te verwachten dergelijke stukken die via een nog niet gevonden lek bij de uitgevende bank konden worden verkregen"
10. Terecht wordt in de toelichting op het middel opgemerkt dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt (en de gebezigde bewijsmiddelen daaromtrent ook geen aanwijzingen bevatten) waaruit kan blijken dat personen die bedoelde [medeverdachte 1] kennen er voor terug zullen deinzen om hem zonder prompte betaling waardepapieren toe te vertrouwen.
Voorts valt uit de aan de Hoge Raad toegezonden bescheiden wel af te leiden dat er bij ING vele CF-stukken (schuldbrieven als in de bewezenverklaring bedoeld) zijn ontvreemd, maar het Hof heeft niet de bronnen genoemd waaruit kan volgen dat de strafwaardigheid van verzoekers handelen mede wordt bepaald door diens aandeel in voorgenomen verzilvering van andere stukken dan de in de bewezenverklaring genoemde.
11. De motivering van de strafmotivering schiet in dit opzicht tekort. het middel is terecht voorgesteld.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, met terugwijzing of verwijzing van de zaak teneinde, zonodig met in achtneming van door de Hoge Raad te geven aanwijzingen, op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,