ECLI:NL:PHR:2006:AU7372
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag en boetebeschikking BPM onder het herziene fiscale boeterecht
In deze zaak gaat het om de ontvankelijkheid van bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM en een daarbij behorende boetebeschikking, beide vervat in één document. Belanghebbende maakte bezwaar tegen beide, maar het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, terwijl het bezwaar tegen de boetebeschikking wel ontvankelijk werd geacht. De Inspecteur had de aanslag niet naar de gemachtigde van belanghebbende gestuurd, wat volgens het hof rechtens juist was.
De zaak spitst zich toe op de vraag of het fiscale boeterecht toelaat dat de ontvankelijkheid van bezwaren tegen aanslag en boete verschillend wordt beoordeeld, ondanks dat beide in één document zijn opgenomen. De Hoge Raad bevestigt dat onder het herziene boeterecht aanslag en boete als afzonderlijke beschikkingen gelden, waardoor een bezwaar tegen de boete ontvankelijk kan zijn terwijl dat tegen de aanslag niet het geval is.
De conclusie gaat uitgebreid in op de wetsgeschiedenis van het fiscale boeterecht, de invloed van artikel 6 EVRM Pro op de procedure, en de jurisprudentie over de ontvankelijkheid van bezwaar. Tevens wordt besproken dat de boete in de loop van de procedure kan vervallen, waardoor de toepassing van artikel 6 EVRM Pro op het boetegedeelte eindigt. De Hoge Raad bevestigt dat de ontvankelijkheid van bezwaar tegen aanslag en boete verschillend kan zijn en dat de regeling van artikel 24a AWR dit ondersteunt.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van belanghebbende, waarmee het oordeel van het Hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; bezwaar tegen naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk, bezwaar tegen boetebeschikking wel ontvankelijk.