ECLI:NL:PHR:2006:AU7385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek van door ouder betaalde vermogensbelasting van minderjarig kind
Belanghebbende, moeder van een minderjarige zoon, betaalde in 2000 de vermogensbelasting die aan haar zoon werd opgelegd over zijn aanmerkelijk belang in aandelen. Zij bracht deze betaalde belasting in aftrek op haar eigen inkomstenbelastingaangifte. De Inspecteur volgde dit niet en corrigeerde de aftrekpost, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij Hof Amsterdam. Het hof verwierp haar beroep en stelde dat de door het kind verschuldigde vermogensbelasting die door de ouder is betaald geen aftrekbare kosten vormen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de betaling door haar een zakelijke last vormt die direct verband houdt met de inkomsten uit het vermogen van het kind, waarop zij wettelijk vruchtgenot heeft. Zij verwees naar het verhaalsrecht van het kind op de ouder en aansprakelijkheid van de ouder voor de belasting. De Procureur-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, onder verwijzing naar het onderscheid tussen persoonlijke belastingen en zakelijke lasten, en het feit dat het wettelijk vruchtgenot een recht op netto-opbrengsten is, niet op het vermogen zelf.
De Hoge Raad bevestigt dat de vermogensbelasting een persoonlijke belasting is die niet aftrekbaar is als last op inkomsten uit vermogen, ook niet indien door de ouder betaald voor het kind. De aansprakelijkheid van de ouder en het verhaalsrecht van het kind veranderen hieraan niets. De oude resolutie uit 1934 die aftrek toestond is per 1998 ingetrokken. Het arrest verduidelijkt de verhouding tussen civielrechtelijk vruchtgenot en fiscale aftrekbaarheid en bevestigt dat de vermogensbelasting niet tot aftrekbare kosten behoort.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de door de ouder betaalde vermogensbelasting is niet aftrekbaar.