22. Zoals volgt uit hetgeen onder 11 werd opgemerkt, dient de gevorderde klantenvergoeding inderdaad te worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 november 1989 geldende art. 74o. Deze bepaling luidde als volgt:
"Bij het einde van de agentuurovereenkomst heeft de handelsagent, die door zijn werkzaamheden een klantenkring heeft geschapen of ontwikkeld en die aldus een aanmerkelijk hogere waarde heeft verschaft aan de onderneming van de principaal, recht op een passende vergoeding, tenzij dit strijdig zou zijn met de billijkheid.
Deze vergoeding is niet hoger dan het bedrag van de beloning van één jaar berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan."
Blijkens haar overwegingen is de rechtbank evenwel uitgegaan van de bepaling zoals zij gold na voornoemde datum, waarbij het eerste lid als volgt is komen te luiden:
"Ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van agentuurovereenkomst recht op een vergoeding, klantenvergoeding, voor zover
a. hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanmerkelijke voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder gelet op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.
De eerste klacht van onderdeel III dat de rechtbank een in casu niet-toepasselijke bepaling voor ogen heeft gehad, is in zoverre gegrond. Het middel kan evenwel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het middel stelt dat de door de rechtbank toegepaste bepaling een andere maatstaf bevatte, maar het geeft niet aan in welk opzicht deze maatstaf verschilt van de maatstaf van de wel toepasselijke bepaling (de oudere versie) en in hoeverre het toepassen van de niet-toepasselijke bepaling (de nieuwere versie) de beslissing van de rechtbank ten nadele van Ibro heeft benvloed. De beide versies verschillen in zoverre dat in de oudere versie was bepaald dat geen recht op vergoeding bestaat ingeval dit strijdig zou zijn met de billijkheid, terwijl in de nieuwe versie in een nieuw vierde lid is bepaald in welke gevallen geen vergoeding is verschuldigd, gevallen waarin in de oude versie een passende vergoeding in strijd met de billijkheid zou kunnen zijn. Nog daargelaten dat Ibro bij toetsing aan dat deel van de bepaling uiteraard geen belang heeft, stond de vraag óf Newinco aan Ibro een vergoeding verschuldigd was in het vonnis van 13 augustus 2003 niet meer ter discussie nu door de rechtbank is vooropgesteld dat zij niet terugkomt van haar eindbeslissing in haar vonnis van 20 april 2000 dat er geen reden is om de door Ibro gevorderde klantenvergoeding af te wijzen en dat uitsluitend nog beslist moet worden welke vergoeding billijk is. Voor het overige komen de beide bepalingen op hetzelfde neer, aldus ook de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel inzake de Herziening van de bepalingen inzake de agentuurovereenkomst (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 842, nr. 3, p. 9). In beide versies geldt dat het bedrag van de vergoeding niet hoger is dan dat van de beloning van één jaar berekend naar het gemiddelde van de laatst vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan. In de nieuwe versie is in het eerste lid de uit de Richtlijn afkomstige voorwaarde toegevoegd dat de klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren (een voorwaarde die weliswaar geldt voor de door de rechtbank reeds bevestigend beantwoorde vraag of de agent recht heeft op een vergoeding doch die mogelijk ook een rol heeft gespeeld bij het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de vergoeding), doch zulks brengt geen wijziging ten opzichte van hetgeen onder het oude recht reeds werd aangenomen, te weten dat de waardevermeerdering aanmerkelijk en duurzaam moest zijn. Zie: de toelichting op de Benelux Modelwet, opgenomen als bijlage bij de Memorie van Toelichting, TK 1970-1971, 11 022, nr.4, p. 25 alsmede Urlus, De agentuurovereenkomst, p. 46-47; vgl. voorts Rb 's-Gravenhage 6 februari 1980, NJ 1980, 459; F.M. Smit, Bb 1990, p. 104 e.v. (n.a.v. HR 2 maart 1990, NJ 1991,50, m.nt. MMM ) en K. Frielink en J.B. de Groot, Bb 1992, p.72-74 (n.a.v. HR 6 december 1991, NJ 1992, 176).