ECLI:NL:PHR:2006:AU8074
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat masseur/hypnotherapeut werkzaam is in de gezondheidszorg in strafzaak ontucht
De zaak betreft een verdachte die als masseur en hypnotherapeut werkzaam was en werd veroordeeld wegens ontucht met een cliënt. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel verworpen waarin werd gesteld dat de verdachte niet werkzaam was in de gezondheidszorg zoals bedoeld in art. 249 lid 2 sub Pro 3 Sr.
Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van oktober 1999 tot april 2000 ontucht pleegde met een vrouw die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd. De verdachte hield een praktijk aan huis en zat in het laatste jaar van zijn opleiding tot hypnotherapeut. De cliënt verkeerde in een afhankelijke en kwetsbare positie.
De Hoge Raad overwoog uitgebreid dat het begrip 'gezondheidszorg' in art. 249 Sr Pro moet worden uitgelegd aan de hand van de ruime definitie van 'handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg' in art. 1 Wet Pro BIG. Dit begrip omvat meer dan alleen de geregistreerde beroepen genoemd in art. 3 Wet Pro BIG. De wetgever heeft bewust gekozen voor een ruime bescherming van patiënten, ook bij niet-geregistreerde beroepsbeoefenaren.
De Hoge Raad concludeert dat de verdachte als masseur/hypnotherapeut werkzaam was in de gezondheidszorg en dat het cassatiemiddel faalt. De bewezenverklaring is voldoende gemotiveerd en het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. De veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg en verwerpt het cassatiemiddel, waardoor de veroordeling wegens ontucht blijft staan.