ECLI:NL:PHR:2006:AU8082

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01352/05 A
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 SrNAArt. 146 SrNAArt. 59 SrNAArt. 49 SrNAArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gewoonte van kopen en verbergen van door misdrijf verkregen auto’s op Sint Maarten

Verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba veroordeeld tot drie jaar en negen maanden gevangenisstraf wegens het maken van een gewoonte van het opzettelijk kopen en verbergen van door misdrijf verkregen auto’s op het Antilliaanse gedeelte van Sint Maarten, en deelname aan een criminele vereniging.

De Hoge Raad behandelde drie cassatiemiddelen van de verdediging. Het eerste middel betrof de bewezenverklaring omtrent het verbergen van gestolen auto’s, waarbij werd aangevoerd dat de bewijsmiddelen niet duidelijk maakten dat de verdachte daadwerkelijk gestolen auto’s verborgen hield. De Hoge Raad oordeelde dat een deel van de bewezenverklaring een kennelijke vergissing bevatte, maar dat deze kon worden hersteld zonder de aard en ernst van het bewezenverklaarde aan te tasten.

Het tweede middel betrof de kwalificatie van de feiten als meerdaadse samenloop. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat de betrokken wetsartikelen verschillende rechtsgevolgen en strekking hebben, waardoor meerdaadse samenloop terecht werd aangenomen.

Het derde middel klaagde dat medeplegen niet expliciet was genoemd in de bewezenverklaring. De Hoge Raad stelde vast dat medeplegen wel was bewezen en dat de uitspraak dienovereenkomstig kon worden verbeterd. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot drie jaar en negen maanden gevangenisstraf wegens gewoonte van kopen en verbergen van gestolen auto’s.

Conclusie

Nr. 01352/05 A
Mr. Knigge
Zitting: 29 november 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba (GH) wegens 3. subsidiair "een gewoonte maken van het opzettelijk kopen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen" en 4. "deelneming aan een vereniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot drie jaren en negen maanden gevangenisstraf.
2. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring deels niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
4. Ten laste van de verdachte is onder 3. subsidiair bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 27 juni 2000 tot en met 1 oktober 2002 op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk kopen en/of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, immers heeft de verdachte in voornoemde periode meermalen telkens opzettelijk meerdere personenauto's, welke telkens door misdrijf waren verkregen, (telkens) gekocht en/of verborgen"
5. In het middel wordt aangevoerd dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte één of meer auto's heeft verborgen. Uit de bewijsmiddelen kan, aldus de steller van het middel, weliswaar volgen dat de verdachte heeft geholpen om een stallingsplek voor een aantal auto's te vinden, maar niet dat dit gestolen auto's betrof.
6. Uit de door het GH gebezigde bewijsmiddelen volgt met betrekking tot het bewezenverklaarde verbergen van gestolen auto's dat (bewijsmiddelen 1 en 8a t/m d):
a. de verdachte ene [betrokkene 1] heeft "geholpen door op zijn verzoek voor een aantal van zijn auto's een stalplek te vinden bij A";
b. de verdachte een gestolen auto (Mercedes E270) ter reparatie bij [betrokkene 2] heeft achtergelaten.
7. Uit de bewijsmiddelen kan niet woren afgeleid dat de verdachte c.s. op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten gestolen auto's hebben verborgen. Daarbij neem ik, in navolging van de steller van het middel, in aanmerking dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat de onder 6a bedoelde auto's gestolen waren. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Het is echter de vraag welke consequentie hieraan moet worden verbonden.
8. Kennelijk zijn de onderdelen van de tenlastelegging die inhouden "en/of verbergen" en "en/of verborgen" als gevolg van een misslag in de bewezenverklaring terechtgekomen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met herstel van deze misslag lezen. Aangezien in deze lezing de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd naar mijn mening niet worden aangetast, behoeft de kennelijke vergissing van het GH niet tot cassatie te leiden.(1)
9. In het tweede middel wordt geklaagd dat het Gemeenschappelijk Hof de bewezenverklaarde feiten ten onrechte heeft aangemerkt als te zijn begaan in meerdaadse samenloop.
10. Door in de bestreden uitspraak onder het hoofd "De toepasselijke wettelijke voorschriften" art. 59 SrNA Pro op te nemen, heeft het GH de bewezenverklaarde feiten aangemerkt als te zijn begaan in meerdaadse samenloop.
11. Zoals de steller van het middel zelf al uiteenzet, is er (onder meer) sprake van meerdaadse samenloop als door één materiële handeling meerdere in de wet omschreven gevolgen in het leven worden geroepen. Als de geschonden normen een verschillende strekking hebben is er geen sprake van eendaadse samenloop.(2)
12. In het middel wordt betoogd dat de in art. 432 SrNA Pro vervatte norm dezelfde strekking heeft als de in art. 146 SrNA Pro vervatte norm. Mij komt dat niet juist voor. Art. 146 SrNA Pro is in titel V van het tweede boek van het WvSrNA geplaatst, onder "Misdrijven tegen de openbare orde". Art. 432 SrNA Pro is geplaats in titel XXX van het tweede boek van het WvSrNA, onder "Begunstiging". Hieruit leid ik af dat met art. 146 SrNA Pro wordt beoogd aantasting van de openbare orde (door de in het artikel bedoelde verenigingen) te voorkomen, terwijl met art. 432 SrNA Pro wordt beoogd te voorkomen dat iemand profiteert van een door een ander gepleegd misdrijf (of van het door middel van dat misdrijf verkregen goed). Een verschil met de verhouding tussen art. 140 Sr Pro en de concrete Opiumwet-misdrijven - ten aanzien waarvan de Hoge Raad steeds oordeelde dat het verschil in strekking aan het aannemen van eendaadse samenloop in de weg staat - zie ik niet.
13. Zo'n verschil wordt niet gevormd door het feit dat - zoals de steller van het middel aanvoert - aan heling "in wezen" een openbare orde facet kleeft. Ik mag de steller van het middel herinneren aan HR 13 oktober 1992, NJ 1993, 142, waarin de Hoge Raad in antwoord op een door hem ingediend middel overwoog dat aan het verschil in strekking (tussen art. 140 Sr Pro en het Opiumwetdelict) niet afdeed dat "overtreding van beide verboden verstoring van orde en rust in de maatschappij oplevert".
14. Op grond van het voorgaande faalt het middel.
15. Het derde middel bevat de klacht dat in het onder 4 weergegeven bewezenverklaarde feit ten onrechte niet tot uitdrukking komt dat er sprake is van medeplegen.
16. De in het middel bedoelde kwalificatie van het onder 3. subsidiair bewezenverklaarde feit heb ik hiervoor onder 1 reeds weergegeven. Gelet op de omstandigheid dat ten laste van de verdachte onder 3. subsidiair is bewezenverklaard dat hij dit feit "tezamen en in vereniging met anderen" heeft gepleegd, heeft het Gemeenschappelijk Hof kennelijk per abuis niet in de kwalificatie van dit feit tot uitdrukking doen komen dat er sprake is van medeplegen. Daarnaast heeft het Hof kennelijk per abuis niet art. 49 SrNA Pro onder de toepasselijke wettelijke voorschriften opgenomen. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak in zoverre verbeterd lezen, zodat aan het middel de grondslag komt te ontvallen.
17. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548.
2 Vgl. NLR, aant. 1 op art. 57 Sr Pro en de aldaar genoemde jurisprudentie (suppl. 131, juni 2005).