ECLI:NL:PHR:2006:AU8264
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schending ondervragingsrecht verdachte door niet-toelaten bij getuigenverhoor
De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van het slachtoffer. Tijdens het hoger beroep verzocht verdachte de getuigen zelf te ondervragen, maar werd hem de toegang tot het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris geweigerd. De rechter-commissaris bood slechts de mogelijkheid schriftelijke vragen te stellen, wat verdachte betwistte omdat dit geen mogelijkheid bood tot het stellen van vervolgvragen.
De Hoge Raad oordeelt dat het recht van verdachte op ondervraging van getuigen, zoals neergelegd in art. 6 lid 3 onder Pro d EVRM, is geschonden. De rechter-commissaris had op grond van art. 187a Sv een raadsman moeten toevoegen om het ondervragingsrecht te waarborgen. Daarnaast vindt de bewezenverklaring van bedreiging onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal, waardoor het eerlijk proces is geschaad.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de jurisprudentie van het EHRM en de eigen rechtspraak omtrent het ondervragingsrecht, het belang van compensatie bij niet-ondervraagde getuigen en de noodzaak van voldoende steunbewijs. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van het ondervragingsrecht van verdachte.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens schending van het ondervragingsrecht en onvoldoende steunbewijs, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.