ECLI:NL:PHR:2006:AU8270

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01104/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 1 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring ondanks ongeoorloofde conclusies in getuigenverklaringen

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens ontuchtige handelingen met zijn minderjarig stiefkind en een ander minderjarig persoon, met een gevangenisstraf van 21 maanden waarvan 7 voorwaardelijk. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegewezen.

In cassatie werd aangevoerd dat bepaalde getuigenverklaringen onrechtmatig meningen en conclusies bevatten en daarom niet als bewijs mochten dienen. De Hoge Raad oordeelde dat de passages met meningen inderdaad niet als bewijs konden worden gebruikt, maar dat het bewezenverklaarde ook zonder deze passages uit de overige bewijsmiddelen kon worden afgeleid.

Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de veroordeling in stand. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De uitspraak bevestigt de grenzen van toelaatbare bewijsvoering en het belang van een zorgvuldige bewijswaardering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling en straf blijven in stand.

Conclusie

Nr. 01104/05
Mr. Vellinga
Zitting: 13 december 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd" en 2. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenentwintig maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 4537,80. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van getuige [betrokkene 1] en van getuige [betrokkene 2] een mening, gissing of gevolgtrekking bevatten.
4. Ter toelichting wijst het middel op de volgende passage uit de verklaring van getuige [betrokkene 1]:
"U vraagt mij welke mening ik nu heb over de aangifte die [slachtoffer] deed in 2000. Ik geloof haar nu wel. [Verdachte] zal best wel aan de tieten van [slachtoffer] gevoeld hebben."
En uit de verklaring van de getuige [betrokkene 2] op de volgende passage:
"Ik had niet het gevoel dat het verhaal van [slachtoffer] verzonnen was. Uit dat verhaal en het gedrag van [slachtoffer] werd mij duidelijk dat [slachtoffer] slachtoffer was van seksueel misbruik."
5. De door het middel genoemde onderdelen van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevatten inderdaad een mening of gevolgtrekking. Gelet op het bepaalde in art. 342 lid 1 Sv Pro kunnen deze verklaringen in zoverre niet voor het bewijs worden gebezigd.
6. Niettemin behoeft het voorgaande niet tot cassatie te leiden. Ook afgezien van genoemde passages kan het bewezenverklaarde immers zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgedragen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG