ECLI:NL:PHR:2006:AU8274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01359/05 A
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 SrNA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep op noodweerexces bij mishandeling met zwaar letsel

In deze zaak werd verdachte veroordeeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. Verdachte gaf een vuistslag aan het slachtoffer, die hierdoor struikelde over een stoel en viel, wat leidde tot het letsel. Verdachte voerde in hoger beroep onder meer aan dat het causaal verband tussen zijn vuistslag en het letsel niet bewezen was en dat hij handelde uit noodweer of noodweerexces.

Het hof verwierp deze verweren. Het stelde vast dat verdachte zich bewust was van de stoel achter het slachtoffer en dat het letsel voorzienbaar was. Hoewel het slachtoffer de eerste klap gaf, was deze niet hard en leidde deze niet tot een situatie waarin verdachte zich genoodzaakt voelde tot verdediging. Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een noodweersituatie en dat het beroep op noodweerexces niet kon slagen omdat verdediging niet noodzakelijk was.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel. Hij oordeelde dat het hof het verweer op juiste gronden verwierp en dat het niet nodig was het arrest te vernietigen. De Hoge Raad benadrukte dat noodweerexces alleen kan worden aangenomen als verdediging noodzakelijk was, en dat het niet volstaat dat verdachte een hevige gemoedsbeweging had door de aanranding. Het beroep van verdachte werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep op noodweerexces werd verworpen en de veroordeling voor mishandeling met zwaar letsel bevestigd.

Conclusie

Nr. 01359/05 A
Mr. Vellinga
Zitting: 13 december 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba wegens mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft, veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel betreft een verweer dat door het Hof als volgt is samengevat en verworpen.
"Verdachte heeft betoogd dat causaal verband tussen de door hem gegeven vuistslag en het daarna bij het slachtoffer opgetreden letstel niet bewijsbaar is en hij om die reden van het strafverzwarende gevolg dient te worden vrijgesproken.
Het Hof verwerpt dat verweer. Verdachte heeft zelf aan de politie verklaard dat hij een vuistslag heeft gegeven aan het slachtoffer en dat hij zag dat het slachtoffer "toen" struikelde over de stoel die achter hem stond en op de grond kwam te vallen. Het struikelen en vallen volgde derhalve onmiddellijk op de door de verdachte gegeven vuistslag. Dergelijk struikelen en vallen én het als gevolg daarvan oplopen van letsel is bovendien voorzienbaar voor wie een ander een vuistslag geeft terwijl die ander vlak bij een stoel staat. Het letsel van het slachtoffer kan op deze gronden redelijkerwijs als gevolg van de mishandeling aan verdachte worden toegerekend."
4. De eerste klacht van het middel luidt dat deze overweging onbegrijpelijk is nu uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte zich op het moment van de vuistslag bewust was van de stoel achter het slachtoffer.
5. Blijkens de voor het bewijs gebruikte verklaring van het slachtoffer zat hij op de 'porch' van zijn woning toen hij verdachte zag, stond hij op van zijn stoel om zich voor te stellen en kreeg hij onverwacht een klap ten gevolge waarvan hij achterover viel. Uit de eveneens als bewijsmiddel gebezigde verklaring van verdachte blijkt dat hij het slachtoffer aan een tafel zag zitten, dat hij het slachtoffer zag opstaan van zijn stoel, dat hij het slachtoffer in het gezicht heeft geslagen en dat hij het slachtoffer zag struikelen over de stoel die achter hem stond. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat verdachte zich op het moment van het geven van de vuistslag van de aanwezigheid van de stoel achter het slachtoffer bewust was. De klacht faalt.
6. Overigens zou het het bewijs van het causaal verband onverlet laten wanneer die bewustheid zou hebben ontbroken. Aan redelijke toerekening van het letsel aan de verdachte als gevolg van de vuistslag doet dat in mijn ogen niet af. De algemene ervaring leert nu eenmaal dat iemand door een vuistslag zijn evenwicht kan verliezen en zo ongelukkig terecht kan komen dat hij zwaar lichamelijk letsel oploopt. Reeds daarom gaat ook de tweede klacht van het middel, te weten dat 's Hofs oordeel dat het voorzienbaar is dat iemand ten gevolge van een vuistslag struikelt over een stoel onbegrijpelijk is, omdat dit naar algemene ervaringsregels mede afhankelijk is van de aard van de stoel, niet op. Bovendien valt om dezelfde reden niet in te zien dat de aard van de stoel bepalend is voor het antwoord op de vraag of naar algemene ervaringsregels valt te voorzien of iemand die een vuistslag krijgt, over die stoel zal struikelen. Wie door een vuistslag uit zijn evenwicht wordt gebracht kan over een stoel struikelen, of deze nu groot of klein, licht of zwaar, antiek of modern is. Deze is hoe dan ook een sta-in-de-weg voor iemand die uit zijn evenwicht wordt gebracht.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel betreft de verwerping door het Hof van een beroep op noodweer(exces). Het bestreden oordeel luidt als volgt.
"Verdachte heeft zich op noodweer, subsidiair noodweerexces, beroepen, stellende dat het slachtoffer als eerste een klap heeft uitgedeeld.
Het Hof verwerpt ook dit verweer. Uit het dossier blijkt in ieder geval dat verdachte 's avonds om een uur of elf onaangekondigd de porch van de woning van het slachtoffer is opgestormd en onmiddellijk begon te spreken over het "belachelijke bedrag" dat het slachtoffer aan hem, verdachte, in rekening wilde brengen. Indien het nu al zo is geweest dat het slachtoffer toen een klap heeft gegeven aan verdachte geldt dat zulks onmiskenbaar geschiedde als reactie op het onverwachte en enigszins intimiderende ten tonele verschijnen van verdachte. De, veronderstellenderwijs, door het slachtoffer gegeven klap was voorts kennelijk niet erg hard: hooguit is daardoor een oppervlakkige schaafwond dan wel een blauwe plek veroorzaakt. Verdachte zelf spreekt ook niet over (hevige) pijn. Daarbij komt dat uit niets blijkt dat als gevolg van de, nog steeds veronderstellenderwijs, door het slachtoffer gegeven klap de situatie ineens zo veranderd was dat verdachte het door zijn heftige entree zelf bewerkstelligde overwicht verloor of dreigde te verliezen en nu moest vrezen voor verdere agressie van de kant van het slachtoffer. Verdachte verklaart daarover niets aan de politie en ook overigens zijn daarvoor in het dossier geen aanwijzingen te vinden. De na de klap van het slachtoffer ontstane situatie was er derhalve niet een waarvan gezegd kan worden dat deze verdachte noopte tot verdediging van eigen lijf of goed. Van een noodweersituatie was op die grond geen sprake.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die strafbaarheid van verdachte opheffen of uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar."
9. De eerste klacht van het middel voert aan dat, nu ervan moet worden uitgegaan dat [slachtoffer] (het latere slachtoffer) aan verdachte de eerste klap heeft uitgedeeld, eveneens vast staat dat ten opzichte van verzoeker sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, ook al ging het om een niet erg harde klap.
10. Ingevolge art. 43 lid 1 SrNA Pro is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De klacht neemt tot uitgangspunt dat het Hof heeft geoordeeld dat van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte geen sprake was. Uit het weergegeven oordeel blijkt dat het Hof het verweer heeft verworpen op de grond dat de - veronderstellenderwijs aangenomen - klap van het slachtoffer verdachte niet noopte tot verdediging van zijn lijf of goed. 's Hofs verwerping van het beroep op noodweer(exces) berust dus niet op het oordeel dat het uitdelen van de klap in de gegeven omstandigheden niet een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding oplevert. De klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat deze faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
11. De tweede klacht van het middel betoogt dat het er voor het beroep op noodweerexces niet toe doet of verdachte al dan niet hoefde te vrezen voor verdere agressie van het slachtoffer, aangezien bepalend is of verdachte door de aanranding een hevige gemoedsbeweging kan hebben opgelopen, die ook uit drift kan bestaan.
12. Ingevolge art. 43 lid 2 SrNA Pro is ook niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging die het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat ieder handelen in een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding hieronder valt. Zoals het Hof echter met juistheid heeft geoordeeld is een voorwaarde voor het aannemen van noodweerexces - evenals voor noodweer - dat in de door de wederrechtelijke aanranding ontstane situatie verdediging van lijf of goed noodzakelijk was.(1) De klacht, die de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet ter discussie stelt, miskent dit, zodat deze faalt
13. Het middel faalt.
14. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 20 september 2005, LJN AT8309; HR 18 mei 1993, NJ 1993, 691. Zo ook NLR, aant. 18.1 op art. 41 Sr Pro (suppl. 125, november 2003). Voor kritiek op het standpunt dat het noodweerexces zich niet kan uitstrekken tot de vraag of verdediging noodzakelijk was J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, p. 323.