ECLI:NL:PHR:2006:AU8299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omzetting buitenlandse straf en toepassing Halbstrafe in Nederlandse tenuitvoerlegging
De zaak betreft de omzetting van een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf naar een Nederlandse straf ten uitvoerlegging. De rechtbank had geoordeeld dat de zogenaamde 'Halbstrafe' in Duitsland, waarbij een veroordeelde na het uitzitten van de helft van de straf vervroegd kan worden vrijgelaten, niet standaard van toepassing is en dat de veroordeelde daardoor niet in een nadeliger positie komt door een langere straf in Nederland.
De verdediging voerde aan dat de straf niet hoger mocht zijn dan drie jaar, omdat de Halbstrafe in Duitsland een vervroegde invrijheidsstelling na de helft van de straf mogelijk maakt. De rechtbank stelde echter dat deze vervroegde invrijheidsstelling afhankelijk is van meerdere voorwaarden en een rechterlijke beslissing, waardoor het niet aannemelijk is dat de veroordeelde standaard na de helft vrijkomt.
De Hoge Raad toetste dit oordeel op begrijpelijkheid en bevestigde dat het onderzoek naar de strafrechtelijke positie bij omzetting gebaseerd moet zijn op waarschijnlijkheid, gezien onzekerheden over de exacte duur van detentie in het buitenland. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank terecht rekening hield met internationale gevoeligheden en het risico dat de veroordeelde in het buitenland zwaarder wordt gestraft dan in Nederland, wat bij de strafoplegging mag worden meegewogen.
De cassatie werd verworpen omdat de rechtbank haar oordeel voldoende motiveerde en geen onbegrijpelijke feitenvaststelling deed. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van art. 31 WOTS Pro en de wijze waarop buitenlandse sancties worden omgezet in Nederlandse straffen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafoplegging van vier jaar en zes maanden zonder toepassing van de Halbstrafe.